In hoger beroep

2007

Mijn negende beroepsprocedure bij de Rechtbank had ik verloren, daarom ging ik in hoger beroep.
De procedure bij de Rechtbank had ik zelf gedaan, maar dat kostte zo veel moeite dat ik mijn advocaat gevraagd heb om het hoger beroep te doen.

Mijn advocaat schrijft een voorlopig beroepschrift. Hieronder staat eerst de begeleidende brief.

thumbnail
Centrale Raad van Beroep
UTRECHT

M., 28 november 2007

Edelachtbare heer, vrouwe,

Bijgaand zend ik u een beroepschrift met het verzoek daarmede het nodige te verrichten.

Hoogachtend,
P12.

thumbnail thumbnail
VOORLOPIG BEROEPSCHRIFT

Aan de Centrale Raad van Beroep

Geeft eerbiedig te kennen:

D., wonende te ### aan de ###, te dezer zake domicilie kiezende te M. aan de ### ten kantore van ### Advocaten, van wie de advocaat en procureur mr. P12. door appellant tot gemachtigde wordt gesteld met het recht van substitutie en vervanging;

1. Gedaagde ten deze is: de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (vestiging Breda), gevestigd te Breda (postadres: ### Breda)

2. Gedaagde heeft bij besluit van 16 juli 2004 appellant medegedeeld dat hij met ingang van 1 juni 2004 recht heeft op een uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 augustus 2004 bezwaar gemaakt.

3. De Rechtbank heeft, nadat dit bezwaar ongegrond was verklaard door verweerder, bij uitspraak van 17 augustus 2005 het beroep gegrond verklaard. Bij besluit van 27 april 2006 heeft gedaagde de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 15 mei 2006 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 april 2007 heeft gedaagde de bezwaren van appellant gericht tegen de primaire besluiten van 12 augustus 2004 en 7 april 2006 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 mei 2007 beroep ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht. De Rechtbank Rotterdam heeft het beroep bij beslissing van 1 november 2007, verzonden op 6 november 2007, ongegrond verklaard.

4. Appellant kan zich met de inhoud van deze uitspraak, alsmede met de overwegingen waarop deze berust, niet verenigen. Hij heeft dan ook recht en belang daartegen hoger beroep in te stellen. Hij dient daartoe dit voorlopig beroepschrift in, doch hij behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor de gronden van zijn hoger beroep nader aan te vullen en/ te motiveren.

REDENEN WAAROM:

Appellant zich wendt tot de Centrale Raad van Beroep te Utrecht met het eerbiedig verzoek:

1. gegrond te verklaren het te dezen ingestelde hoger beroep;

2. te vernietigen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht, van 1 november 2007, verzonden op 6 november 2007;

3. te vernietigen de besluiten van gedaagde van 16 juli 2004 en 7 april 2006;

4. te vernietigen het besluit van gedaagde van 2 april 2007;

5. te bepalen dat gedaagde alsnog dient te beslissen dat aan appellant onverkort een uitkering uit hoofde van de WAO wordt toegekend uitgaande van volledige arbeidsongeschiktheid, althans gedaagde op te dragen een nieuw besluit te nemen met in achtneming van de uitspraak te dezen;

6. gedaagde te veroordelen aan appellant te vergoeden de door hem in het kader van de bezwaarprocedure ex art. 7:1 Awb gemaakte kosten;

7. gedaagde te veroordelen om aan appellant te vergoeden de door hem in het kader van de beroepsprocedure in eerste aanleg gemaakte kosten;

8. gedaagde te gelasten aan appellant te vergoeden het door hem in verband met het in eerste aanleg ingestelde beroep voldane griffierecht;

9. gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de kosten, welke appellant zich redelijkerwijs moet getroosten in verband met het door hem te dezen ingestelde hoger beroep, waaronder begrepen de kosten van de aan hem beroepsmatig door zijn gemachtigde verleende rechtsbijstand;

10. gedaagde te veroordelen tot vergoeding aan appellant van het door hem in verband met het ten deze ingestelde hoger beroep verschuldigde griffierecht;

11. het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan te wijzen als de rechtspersoon die de hiervoor onder 6 tot en met 10 bedoelde bedragen aan appellant dient te vergoeden.

M., 29 november 2007

gemachtigde

In de brief hierboven staat bij punt 3 (het eerste punt 3) een schrijffoutje. Het besluit is van 7 april 2006 en niet van 27 april 2006.
Ook staat er: "... de primaire besluiten van 12 augustus 2004 en 7 april 2006 ...".
Dat moet zijn: "... de primaire besluiten van 16 juli 2004 en 7 april 2006 ...".

Mijn advocaat ontvangt de volgende brief:

thumbnail
de Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep

### Advocaten
tav de heer mr. P12.

datum 3 december 2007
ons kenmerk CRvB 07 / 6671 WAO 94
onderwerp D. te ### / de Raad van bestuur van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen /

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw beroepschrift tegen de uitspraak van 1 november 2007, nr. WAO 07/1682-STRN.

Bij de behandeling van het beroep neemt de Raad de richtlijnen in acht die zijn neergelegd in de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006. De tekst van deze procesregeling vindt u op de site van de Raad op www.rechtspraak.nl via de rubrieken "Voor juristen" en "Regelingen". Met deze richtlijnen wordt onder meer beoogd de bij de Raad aanhangige procedures zo kort mogelijk te houden. Om dit doel te bereiken hanteert de Raad vaste termijnen voor de verschillende onderdelen van de procedure. Deze termijnen zullen, voor zover voor u van belang, steeds schriftelijk worden meegedeeld. Van de gestelde termijnen wordt in beginsel niet afgeweken. Uitstel voor het verrichten van proceshandelingen wordt aan de betrokken partijen slechts verleend in bijzondere omstandigheden en indien daarom tijdig (dat wil zeggen voor het einde van de termijn), onder opgave van redenen, is verzocht.

Op basis van de Wet bescherming persoonsgegevens deel ik u hierbij mee, dat de persoonsgegevens van partijen, voorzover nodig, worden verwerkt in een registratiesysteem.

Te zijner tijd ontvangt u nader bericht.

Hoogachtend,
de griffier,

Mijn advocaat vraagt mij om wat op te schrijven voor de Raad voor Rechtsbijstand.
Hieronder de brief die mijn advocaat ontving.

thumbnail
3FA6498

Civiel
Onvolledige aanvraag

Raad voor Rechtsbijstand
Bureau Rechtsbijstandvoorziening

### Advocaten
rechtsbijstandverlener mr. P12.

In reactie op uw toevoegingsaanvraag, waarvan de belangrijkste kenmerken zijn:

client : D.
geboortedatum : ###
sofi-nummer : ###
groepstoevoeging : N
zaak : D020 arbeidsongeschiktheid
aanvullende omschrijving : H.b. besl. 23-11-02
tegenpartij : UWV
datum aanvraag : 03-12-07

bericht ik u dat voor de beoordeling van de aanvraag en het nemen van de beslissing nog gegevens en / of bescheiden nodig zijn (artikel 4:5 Awb).

Voor zover bekend bent u (op het betreffende rechtsgebied) niet ingeschreven door de Raad voor Rechtsbijstand. Slechts in bijzondere gevallen kan de Raad beslissen dat gesubsidieerde rechtsbijstand wordt verleend door een niet ingeschreven advocaat. Wilt u uw aanvraag in die zin nader motiveren? (Handboek art. 16 Wrb aant.1)

Ik verzoek u vriendelijk de verzochte gegevens vóór 10-01-08 aan de Raad voor Rechtsbijstand toe te zenden. In verband met de administratieve procedure verzoek ik u deze brief als bijlage mee te zenden dan wel het nummer onder de streepjeskode in uw correspondentie te vermelden.

13-12-07

Hoogachtend,
Mw. V?.

Exemplaar bestemd voor rechtsbijstandverlener

Ik schreef vervolgens onderstaande brief.

thumbnail
Aan: ### Advocaten
t.a.v. Mr. P12.

Datum : 20 december 2007

Geachte mr. P12.,

Voor de Raad voor Rechtsbijstand beschrijf ik hierna mijn uitzonderlijke situatie.

streepjescode: 3FA6498

Geachte mevrouw of heer van de Raad voor Rechtsbijstand,

Dat mr. P12. niet is ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand op het gebied van sociaal verzekeringsrecht, daarvan ben ik op de hoogte. Desondanks sta ik er op dat mr. P12. mij vertegenwoordigt in de huidige procedure bij de Centrale Raad van Beroep.

Mr. P12. is voor mij de enige logische keuze, vanwege de volgende redenen:
• Mr. P12. is deskundig op dit gebied en hij is bekend met mijn gezondheidssituatie.
• Het dossier is voor een WAO-procedure erg omvangrijk. Het bestaat uit meer dan 1700 A4-tjes. Daarnaast is deze procedure is ook nog eens extra ingewikkeld omdat het uit twee onderdelen bestaat.
• Mr. P12. heeft namens mij al minstens 6 procedures bij de Rechtbank gevoerd tegen het UWV.
• De beroepsprocedures tegen het UWV (en ook herzieningsverzoeken) zijn allemaal ófwel door mr. P12. gedaan óf door mijzelf. Er is dus geen andere advocaat die voor mij een beroepsprocedure tegen het UWV heeft gedaan.
• Ik ben drie keer eerder in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep. Die drie procedures zijn door mr. P12. gedaan, waarvan twee gewonnen.
• De vorige keer heeft de Raad voor Rechtsbijstand de subsidie toegekend (3EG9679).

Desgewenst kan ik stukken opsturen, bijvoorbeeld alleen de uitspraken van de Rechtbank, maar ik zou ook het hele dossier kunnen opsturen.

Hoogachtend,
D.

De Centrale Raad van Beroep laat weten dat er nog vier weken zijn, om het echte beroepschrift in te sturen.

thumbnail
de Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep

### Advocaten
tav de heer mr. P12.

datum 20 december 2007
ons kenmerk CRvB 07 / 6671 WAO 94
onderwerp D. te ### / de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen /

Geachte heer,

U hebt (hoger) beroep ingesteld.

Uw beroepschrift bevat echter niet de gronden van het beroep.

Ik stel u in de gelegenheid dit verzuim binnen vier weken na dagtekening van deze brief te herstellen.

Volledigheidshalve deel ik u mee, dat alle gedingstukken die in eerste aanleg zijn overgelegd, inclusief het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting en de overgelegde pleitnota's met eventuele bijlagen, door de desbetreffende rechtbank aan deze Raad worden toegezonden. U kunt volstaan met een verwijzing naar deze stukken. Ik verzoek u deze stukken niet meer toe te zenden.

Hoogachtend,
de griffier,
Mw. H?.

2008

Vervolgens schrijft mijn advocaat het beroepschrift. Hieronder staat eerst de begeleidende brief.

thumbnail
Centrale Raad van Beroep
UTRECHT

Via de telefax: ###
en per gewone post

15 januari 2008
uw ref. CRvB 07/6671 WAO 94

Edelachtbare heer, vrouwe,

Bijgaand zend ik u een beroepschrift nadere gronden met het verzoek daarmede het nodige te verrichten.

Hoogachtend,
P12.

thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail
Aan de Centrale Raad van Beroep
te Utrecht

BEROEPSCHRIFT
(nadere gronden)

Geeft eerbiedig te kennen:

D., wonende te ### aan de ###, te dezer zake domicilie kiezende te ### aan de ### ten kantore van ### Advocaten, van wie de advocaat en procureur mr. P12. door appellant tot gemachtigde wordt gesteld met het recht van substitutie en vervanging;

1.   Gedaagde ten deze is: de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (vestiging Breda), gevestigd te Breda (postadres: postbus ###, Breda)

2.   Gedaagde heeft bij besluit van 16 juli 2004 appellant medegedeeld dat hij met ingang van 1 juni 2004 recht heeft op een uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 augustus 2004 bezwaar aangetekend.

3.   De rechtbank heeft, nadat dit bezwaar ongegrond was verklaard door gedaagde, bij uitspraak van 17 augustus 2005 het beroep gegrond verklaard. Bij besluit van 7 april 2006 heeft gedaagde de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 15 mei 2006 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 april 2007 heeft gedaagde de bezwaren van appellant gericht tegen de primaire besluiten van 12 augustus 2004 en 7 april 2006 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 mei 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep bij beslissing van 1 november 2007, verzonden op 6 november 2007, ongegrond verklaard.

4.   Appellant heeft zich met de inhoud van deze uitspraak, alsmede met de gronden waarop deze berust, niet verenigd. Hij heeft op 29 november 2007 hoger beroep ingesteld bij uw Raad. Hij wenst thans de gronden bij het hoger beroepschrift nader aan te vullen.

5.   Appellant wenst uitdrukkelijk als hier volledig ingevoegd en herhaald te zien al hetgeen hij in het kader van de beroepsprocedure bij de rechtbank Rotterdam onder nummer WAO 07/1682-STRN heeft gesteld en ingebracht.

6.   De rechtbank Rotterdam heeft bij beslissing van 17 augustus 2005, in aanmerking nemende de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 november 2002, geoordeeld dat de (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende gemotiveerd had om welke redenen de urenbeperking voor appellant gehandhaafd diende te blijven. Daarom moest bij de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vast komen staan, na zelfstandig medisch onderzoek, of er lichamelijke danwel psychische afwijkingen of beperkingen waren die een urenbeperking ten aanzien van algemeen geaccepteerde arbeid ingaande 1 juni 2004 rechtvaardigden. Daarnaast heeft de rechtbank Rotterdam in zijn uitspraak van 17 augustus 2005 vraagtekens gesteld bij de onbevangenheid van bezwaarverzekeringsarts Van D2..

7.   Appellant heeft meer dan één jaar moeten wachten op de rapportage van bezwaarverzekeringsarts O2. van 10 oktober 2005, en kwam zelf pas achter het bestaan van die rapportage omdat daaraan gerefereerd werd in het rapport van bezwaarverzekeringsarts H9. van 6 februari 2007. Appellant ontving eerst anderhalf jaar na de uitspraak van de rechtbank een nieuwe beslissing op bezwaar van gedaagde. Dit terwijl de Rechtbank gedaagde een termijn van zes weken had gegeven voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. Dat is onzorgvuldig, in die mate dat om die reden de beslissing op bezwaar had dienen te worden vernietigd.

8.   Uit de rapportage van bezwaarverzekeringsarts O2. blijkt dat slechts dossierstudie is gedaan. Zelfstandig medisch onderzoek, zoals de rechtbank in zijn beslissing van 17 augustus 2005 had overwogen, heeft niet plaats gevonden. Ook om deze reden komt de beslissing op bezwaar voor vernietiging in aanmerking.

9.   De overweging in de beslissing op bezwaar dat appellant klachten ondervindt die zeer ten dele kunnen worden verklaard door geobjectiveerde onderliggende medische stoornissen is aantoonbaar onjuist. Goed en deugdelijk (waaronder medisch) onderzoek had O2. tot de conclusie geleid dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Ook conform de standaard verminderde arbeidsduur is wel degelijk sprake van een noodzaak tot urenbeperking, in die zin dat sprake is van integrale algehele arbeidsongeschiktheid.

10.   O2. heeft de voorschriften, opgenomen in de standaard verminderde arbeidsduur niet opgevolgd. Zijn oordeel dat toepassing ervan niet tot urenbeperking kan leiden omdat de beperkingen van appellant niet binnen één van de drie indicatiegebieden zouden vallen (energetisch beschikbaarheid en preventief) is onjuist. Wat de eerste en derde categorie betreft is die conclusie in ieder geval onjuist. O2. motiveert niet afdoende op grond waarvan hij tot de conclusie komt dat appellant niet gecategoriseerd zou kunnen worden in de indicatie gebieden 1 en/of 3 (energetisch en preventief).

11.   Het complexe ziektebeeld van appellant rechtvaardigt een algehele vermindering van de arbeidsduur, en wel in die mate dat sprake is van algehele arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft dat genoegzaam, in de loop der jaren steeds weer, aangetoond. Zijn pijn-, concentratie- en moeheidsklachten leiden tot fors energieverlies en dus tot energetische beperkingen. Daarnaast leiden werkzaamheden van enig substantiële omvang, zelfs met allerlei hulpmiddelen, zoals pijnstillers, een halskraag en dergelijke tot een zodanige overbelasting dat hij in het geheel niet meer zou kunnen functioneren en brengen voorts ernstige schade toe aan zijn (gebrekkige) gezondheid.

12.   De beslissing van het UWV op bezwaar van 2 april 2007 is voorts onjuist, voor zover deze in relatie staat tot de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2005, in dier voege dat deze is genomen op grond van het aangepaste schattingsbesluit. Er had een keuring dienen plaats te vinden conform de regeling die gold vóór het aangepaste schattingsbesluit.

13.   Uit de uitspraak van de rechtbank van 17 augustus 2005 vloeit voort dat een geheel nieuw onderzoek had dienen plaats te vinden naar de beperkingen van appellant. Dat is thans niet geschied. Er heeft slechts dossieronderzoek plaatsgevonden.

14.   Mede gezien de opstelling van gedaagde gedurende de afgelopen jaren is het geïndiceerd dat de Centrale Raad van Beroep zelf overgaat tot aanstelling van een deskundige, die de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bepaalt.

15.   Bij besluit van 7 april 2006 heeft de gedaagde de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25 procent. Ten grondslag aan deze beslissing ligt een beoordeling van verzekeringsarts K4., die appellant op 8 december 2005 heeft onderzocht in het kader van een eenmalige herbeoordeling volgens het aangepaste schattingsbesluit. De verzekeringsarts is volledig ten onrechte tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. Appellant wijst in dit kader nogmaals naar hetgeen reumatoloog S8. reeds in 1993 heeft geconcludeerd:
"Chronisch recidiverende nek en rugklachten door spierpijnen t.g.v. scoliose en recidiverende blokkeringen op diverse niveaux. Klachtenbeeld voornamelijk mechanisch bepaald door niet goede houding. Daarbij ook nerveus-gespannen, hetgeen de spierklachten niet ten goede komt. Het probleem is niet zozeer een reumatische aandoening, danwel een mechanisch-funktionele stoornis."
S8. heeft op 18 december 1997 (nogmaals) aangegeven dat sprake is van een mechanisch functionele stoornis, een niet goede lichaamshouding met een scoliose van de rug en bovendien een versterkte thoracale kyfose. De beperkingen van appellant zijn mitsdien weldegelijk van een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte.

16.   Voorts toont verzekeringsarts K4. onvoldoende aan dat geen sprake zou zijn van een verminderde energetische belastbaarheid, een verminderde beschikbaarheid voor arbeid of een preventieve oorzaak. Mitsdien zou toch in ieder geval reden moeten bestaan om te komen tot een (zeer forse) urenbeperking.

17.   De door de verzekeringsarts opgestelde functionele mogelijkhedenlijst is niet in overeenstemming met de beperkingen van appellant.

18.   In tegenstelling tot hetgeen de verzekeringsarts aangeeft is appellant sterk beperkt in persoonlijk functioneren. Hij kan zich zeer beperkt concentreren. Hij is niet in staat om tenminste een half uur de aandacht te verdelen over meerdere informatiebronnen. Ook is zijn geheugen, afhankelijk van de spanningsbalans niet, altijd even adequaat. Terecht merkt de verzekeringsarts op dat het inzicht in eigen kunnen van appellant normaal is. Echter, in tegenstelling tot die constatering, concludeert de verzekeringsarts op diverse onderwerpen volledig tegengesteld aan de mogelijkheden van appellant. Zo vindt de verzekeringsarts dat het handelingstempo van appellant normaal zou zijn. Zoals appellant zelf heeft aangeven, en dat ook blijkt uit het onderzoek van de verzekeringsarts, is dit onjuist. Hetzelfde geldt ten aanzien van zijn stelling als zouden er geen overige beperkingen zijn in het persoonlijk functioneren. Voorts stelt de verzekeringsarts ten onrechte dat het sociaal functioneren van appellant normaal is. Zoals blijkt uit de beschrijving van zijn dagelijkse activiteiten is immers nagenoeg geen sprake functioneren in een sociaal verband. Ook wordt gesteld dat appellant normaal gebruik zou kunnen maken van vervoer; dat vloeit niet voort uit het onderzoeksverslag van de verzekeringsarts. Ten onrechte stelt de verzekeringsarts voorts dat daar waar het fysieke omgevingseisen betreft dat er geen voorwaarden moeten worden gesteld. Zoals blijkt uit het onderzoeksverslag is dat juist wel het geval. Verder is de analyse van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van dynamische handelingen onjuist. Appellant kan zijn handen en vingers namelijk slechts beperkt gebruiken. Ook is appellant ernstig dynamisch beperkt ten aanzien van reiken. Verder stelt de verzekeringsarts dat appellant zonodig elk uur van de werkdag ongeveer 300 keer zou kunnen reiken. Dit is voor appellant onmogelijk. Dit zelfde geldt ten aanzien van zijn analyse met betrekking tot buigen. Ook daar waar het betreft duwen, trekken, tillen en dragen is de situatie van appellant te geflatteerd voorgesteld. Dit zelfde geldt ten aanzien van lopen, klimmen, knielen en hurken. Ook daar waar het betreft de statische houding is appellant ernstig beperkt. Ook is de conclusie van de verzekeringsarts dat appellant acht uur per dag zou kunnen werken onjuist. Zoals appellant talloze malen heeft aangegeven is hij daartoe niet in staat.

19.   Het vorenstaande leidt ertoe dat ook de kritische functionele mogelijkhedenlijst niet juist is vastgesteld.

20.   Appellant verwijst wat betreft zijn op- en aanmerkingen op de rapportage van verzekeringsarts K4. nog naar zijn reactie d.d. 24 februari 2006 welker inhoud hij als hier ingevoegd wenst te zien.

21.   Omdat een onjuiste functionele mogelijkhedenlijst tot stand is gekomen, is de door arbeidsdeskundige L1. samengestelde functielijst d.d. 6 maart 2006 onjuist. Er is immers uitgegaan van onjuiste uitgangspunten.

22.   Bij beslissing van 7 april 2006 heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 15 tot 25 procent. Appellant heeft op 15 mei 2006 een bezwaarschrift tegen deze beslissing ingediend. Appellant wenst al hetgeen hij in dit bezwaarschrift heeft aangegeven als hier herhaald en ingevoegd te beschouwen.

23.   Appellant kan zich niet verenigen met hetgeen de bezwaarverzekeringsarts, H9. heeft gesteld in de medische rapportage van 6 februari 2007. Enerzijds is sprake van ernstige beperkingen, ten gevolge waarvan appellant volledig arbeidsongeschikt is. Voorts kan worden opgemerkt dat de standaard verminderde arbeidsduur onjuist is toegepast.

24.   Vanwege de onjuiste beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts is ook de arbeidskundige beoordeling niet juist uitgevoerd. De conclusie van de arbeidsdeskundige dat appellant moet worden ingedeeld in arbeidsongeschiktheidsklasse 15-25 procent is mitsdien eveneens onjuist.

25.   Al het vorenstaande, en al hetgeen appellant in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd, leidt tot de conclusie dat de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 1 november 2007 geen stand kan houden. Gedaagde heeft het onderzoek op onzorgvuldige wijze uitgevoerd. Wat betreft het primair besluit 1 heeft geen medisch onderzoek plaatsgevonden, doch slechts dossieronderzoek, terwijl het voorts eerst anderhalfjaar na de uitspraak van de rechtbank van 17 augustus 2005 deze beslissing door gedaagde is genomen. Daarenboven geldt ten aanzien van dit besluit, doch ook ten aanzien van het primair besluit 2, dat het inhoudelijk onjuist is. Al hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt tot de conclusie dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Appellant is niet in staat om één uur per dag betaalde arbeid te verrichten. De functionele mogelijkhedenlijst ten aanzien van appellant is om die reden eveneens onjuist vastgesteld. Mitsdien kan ook de berekening van het verlies aan verdienvermogen de toets ter kritiek niet kan doorstaan.

26.   Appellant behoudt zich het recht voor nadere gronden in te dienen.

REDENEN WAAROM:

Appellant zich wendt tot de Centrale Raad van Beroep te Utrecht met het eerbiedig verzoek:

1.   gegrond te verklaren het te dezen ingestelde hoger beroep;

2.   te vernietigen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht, van 1 november 2007, verzonden op 6 november 2007;

3.   te vernietigen de besluiten van gedaagde van 16 juli 2004 en 7 april 2006;

4.   te vernietigen het besluit van gedaagde van 2 april 2007;

5.   te bepalen dat gedaagde alsnog dient te beslissen dat aan appellant onverkort een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend uitgaande van volledige arbeidsongeschiktheid, althans gedaagde op te dragen een nieuw besluit te nemen met in achtneming van de uitspraak te dezen;

6.   gedaagde te veroordelen aan appellant te vergoeden de door hem in het kader van de bezwaarprocedure ex art. 7:1 Awb gemaakte kosten;

7.   gedaagde te veroordelen om aan appellant te vergoeden de door hem in het kader van de beroepsprocedure in eerste aanleg gemaakte kosten;

8.   gedaagde te gelasten aan appellant te vergoeden het door hem in verband met het in eerste aanleg ingestelde beroep voldane griffierecht;

9.   gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de kosten, welke appellant zich redelijkerwijs moet getroosten in verband met het door hem te dezen ingestelde hoger beroep, waaronder begrepen de kosten van de aan hem beroepsmatig door zijn gemachtigde verleende rechtsbijstand;
10.   gedaagde te veroordelen tot vergoeding aan appellant van het door hem in verband met het ten deze ingestelde hoger beroep verschuldigde griffierecht;

11.   het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan te wijzen als de rechtspersoon die de hiervoor onder 6 tot en met 10 bedoelde bedragen aan appellant dient te vergoeden.

###, 15 januari 2008
gemachtigde

In het beroepschrift hierboven staat hetzelfde foutje als in het voorlopig beroepschrift.
Er staat bij punt 3: "... de primaire besluiten van 12 augustus 2004 en 7 april 2006 ...".
Dat moet zijn: "... de primaire besluiten van 16 juli 2004 en 7 april 2006 ...".

Vervolgens ontving ik een brief van de Raad voor Rechtsbijstand. Ik denk dat er in staat dat de gesubsidieerde rechtsbijstand is toegekend.

thumbnail thumbnail
Civiel
Toevoeging

2008.01.17 11:07
3FA6498

Raad voor Rechtsbijstand
Bureau Rechtsbijstandvoorziening

D.

Geachte mevrouw/mijnheer,

Uw advocaat heeft namens u bij de Raad voor Rechtsbijstand een aanvraag om een toevoeging ingediend. De raad heeft op deze aanvraag beslist.
Zie ook de bijlage bij de beslissing.

In onderstaand overzicht vindt u de gegevens van uw inkomen en vermogen, uw persoonsgegevens en een aantal zaakkenmerken.

zaakaanduiding : D020 arbeidsongeschiktheid
aanvullende omschrijving : H.b. besl. 23-11-02
toelichting : Bijz. ex. art. 16 WRB

sofi-nummer : ###
tegenpartij : UWV
eigen bijdrage : € 92,00
datum aanvraag / datum afgifte : 03-12-07 / 17-01-08
rechtsbijstandverlener : mr. P12.

17-01-08

Hoogachtend,
Dhr. M?. Team C Tel. ###

Inkomen en Vermogen Aanvrager
inkomen     € 10.399
type inkomen     verzamelinkomen
heffingsgrondslag/vermogen     € 0
status     vastgesteld
bron     belastingdienst
belastingjaar (=peiljaar)     2005
norm     alleenstaand
normdatum     03-12-07

Bezwaar
Tegen deze beslissing kunt u binnen 6 weken na dagtekening bezwaar indienen bij de Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand. Een dergelijk verzoek moet schriftelijk met een kopie van deze beslissing ingediend worden.
Voor u hiertoe overgaat is het raadzaam overleg hierover te voeren met uw raadsman / -vrouw.
Gegevens omtrent uw verzoek zijn opgenomen in onze administratie. U heeft recht op inzage en verbetering bij onjuistheid (Privacyreglement Raad voor Rechtsbijstand).

Vervolgens ontving ik onderstaande brief.

thumbnail
de Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep

### Advocaten
tav de heer mr. P12.

datum 18 juni 2008
ons kenmerk CRvB 07/6671 WAO 94
uw kenmerk ###
bijlage(n)
onderwerp D. te ### / de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen /

Geachte heer,

Hierbij doe ik u een afschrift toekomen van één of meer nader aan het dossier toegevoegde stukken.

Hoogachtend,
de griffier,
M18.



Bij bovenstaande brief zat het proces-verbaal van 8 oktober 2007 en mijn pleitnotities van 4 oktober 2007.
Wie het proces-verbaal (het verslag van de zitting) aan het dossier heeft toegevoegd is niet duidelijk. Maar ik had het zelf bij de Rechtbank opgevraagd, en ik ging er van uit dat mijn advocaat dat al naar de Centrale Raad van Beroep had gestuurd.

Vervolgens stuurde de Centrale Raad van Beroep het verweerschrift van het UWV, en een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts, naar mijn advocaat.
Hieronder staat eerst de begeleidende brief van de Centrale Raad van Beroep.

thumbnail
de Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep

### Advocaten
tav de heer mr. P12.

datum 7 juli 2008
ons kenmerk CRvB 07 / 6671 WAO 94 G155
onderwerp
D. te ### / de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen /

Geachte heer,

Hierbij doe ik u afschrift toekomen van het verweerschrift dat naar aanleiding van uw beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep is ingediend.

Omtrent de verdere afdoening van deze zaak ontvangt u te zijner tijd nader bericht.

Hoogachtend,
de griffier,
R12.

Het verweerschrift hieronder zat bij bovenstaande brief.

thumbnail
UWV
BREDA

Centrale Raad van Beroep
UTRECHT

Datum 02 JULI 2008
Van Klantencontactcentrum T (0900) ###, F (076) ###
Ons kenmerk B&B ### JG4
Uw kenmerk CRvB 07/6671 WAO 94

Onderwerp
Het hoger beroep met betrekking tot de heer D. te ###

VERWEERSCHRIFT

Het aanvullend beroepschrift d.d. 15 januari 2008 hebben wij voor een nadere reactie voorgelegd aan bezwaarverzekeringsarts K6.. Met een rapportage d.d. 27 juni 2008 heeft bezwaarverzekeringsarts K6. gereageerd. Wij zenden u hierbij een afschrift in tweevoud van deze rapportage toe. In aansluiting hierop en naar aanleiding van het gestelde onder de punten 7 en 12 van het aanvullend beroepschrift merken wij onzerzijds voorts nog op dat vertraging in de besluitvorming dwingendrechtelijke bepalingen met betrekking tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid niet opzij kan schuiven en dat die vaststelling steeds heeft plaatsgevonden met inachtneming van de juiste wet- en regelgeving.

Gelet op het voorgaande verzoeken wij u de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

Hoogachtend,
Namens de Raad van bestuur
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
mr. G4.
medewerker bezwaar en beroep

Bij het bovenstaande verweerschrift (en bij de brief van de Centrale Raad van Beroep) zat ook onderstaande rapportage.

thumbnail
Medisch geheim

RAPPORTAGE BEZWAARVERZEKERINGSARTS

Betreft: D.
Adres/woonplaats: ###
Registratienummer: ###
Burgerservicenummer: ###
Rapporteur: mr. K6., bezwaarverzekeringsarts
Datum: 27-6-2008

Commentaar op het aanvullende hoger beroepschrift

Het beroepschrift bevat geen nieuwe medisch inhoudelijke gegevens. Het komt er voornamelijk op neer dat het UWV bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling de claim van belanghebbende moet weerleggen en dat dit niet in voldoende mate is gedaan. Ter ondersteuning van deze stelling wordt onder punt 15 uit het schrijven van de rheumatoloog S8. dd 23/8/93 geciteerd.
De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de sociale verzekeringswetten heeft tot doel het vaststellen van de beperkingen ten aanzien van arbeid op grond van objectief en rechtstreeks vaststelbare ziekte of gebrek. Slechts op basis van deze gegevens kunnen beperkingen in de functionele mogelijkheden lijst worden aangenomen. Het is dus niet zo dat als de geclaimde subjectief ervaren belemmeringen op een voor cliënt bevredigende wijze weerlegd kunnen worden deze als beperkingen ten aanzien van arbeid moeten worden aangenomen. In de rapportage bezwaarverzekeringsarts dd 6/2/7 wordt niet alleen de informatie van de rheumatoloog vermeld, maar ook de latere gegevens uit 1999 van orthopedisch chirurg, neuroloog en revalidatiearts. Hieruit blijkt het ontbreken van objectieve afwijkingen.

Conclusie

Het hoger beroepschrift geeft geen aanleiding tot een ander standpunt.

Mijn adres dat op bovenstaande rapport is ingevuld is mijn adres van 11 jaar geleden.
De rapportage hierboven is van bezwaarverzekeringsarts K6.. Hij heeft mij nog nooit gezien.

2011

Het is inmiddels drie jaar later.
De Centrale Raad van Beroep laat mij weten dat er een datum is voor de zitting.

thumbnail thumbnail
de Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep

AANTEKENEN

### Advocaten
tav de heer mr. P12.

datum 17 november 2011
ons kenmerk CRvB 07 / 6671 WAO R008 94 onderwerp D. / de van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Geachte heer/mevrouw,

Het geding tussen D. en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt behandeld op woensdag 21 december 2011 om 11.40 uur, in het gerechtsgebouw ### te Utrecht, zittingzaal A.
De rechters zijn:

mr. G10.
mr. C10.
mr. V16.

Ik nodig u uit bij deze zitting aanwezig te zijn.

Uiterlijk tot de elfde dag voor de zitting kunt u stukken indienen. Te laat ingediende stukken kan de rechter weigeren. Stukken die al in het dossier aanwezig zijn, hoeft u niet opnieuw in te sturen.
Hoogachtend,
de griffier,
H23.


Op 30 november 2011 belde ik over het opvragen van een verslag van een vorige zitting (Zie bij die vorige procedure).
Een videoverbinding vanuit een Rechtbank dichterbij wilde men niet doen.

Ik heb daarom iemand gevraagd om van de zitting een verslag te maken.

Hieronder staat de pleitnota van mijn advocaat.

thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail
Centrale Raad van Beroep
te Utrecht
zitting d.d. 21 december 2011 te 11.40 uur
kenmerk: CRvB 07/6671 WAO R008 94

PLEITNOTA

inzake:
de heer D.,
wonende te ###
- D. -
gemachtigde: mr. P12.

contra:

de Raad van Bestuur van het UWV,
mede gevestigd te Breda,
- UWV -
gemachtigde: -

Geacht college,

1. Het UWV heeft bij besluit van 16 juli 2004 D. medegedeeld dat hij met ingang van 1 juni 2004 recht heeft op een uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Tegen dit besluit heeft D. op 12 augustus 2004 bezwaar aangetekend, hetwelk is afgewezen door UWV. De rechtbank heeft op 17 augustus 2005 het ingestelde beroep gegrond verklaard.

2. Bij besluit van 7 april 2006 heeft het UWV de WAO-uitkering van D. herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft D. op 15 mei 2006 bezwaar aangetekend.

3. Bij besluit van 2 april 2007 heeft het UWV de bezwaren van D. gericht tegen de primaire besluiten van 16 juli 2004 (abusievelijk is in het beroepschrift vermeld 12 augustus 2004) en 7 april 2006 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft D. op 8 mei 2007 beroep ingesteld. Dit beroep is op 1 november 2007 door de rechtbank Rotterdam ongegrond verklaard.

4. D. heeft zich niet met deze uitspraak kunnen verenigen, hetgeen geleid heeft tot de onderhavige procedure.

Besluit 16 juli 2004
5. Op 17 augustus 2005 heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat de verzekeringsarts onvoldoende gemotiveerd heeft om welke redenen de bestaande urenbeperking voor D. gehandhaafd diende te blijven. Ook heeft de rechtbank vraagtekens gezet bij de onbevangenheid van bezwaarverzekeringsarts D2.. Gelet op het doel van een brede heroverweging achtte de rechtbank één en ander onzorgvuldig. Het UWV kreeg een termijn van zes weken voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. D. ontving echter pas anderhalf jaar na de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar.

6. Hiervoor is door bezwaarverzekeringsarts O2. op 10 oktober 2005 een rapportage opgesteld. D. kwam pas achter het bestaan van deze rapportage omdat daaraan medio maart 2007 gerefereerd werd in een rapport van een andere verzekeringsarts. Dat is in ernstige mate onzorgvuldig, zodat om die reden de beslissing op bezwaar had dienen te worden vernietigd.

7. D. is ontsteld over de wijze waarop de 'rapportage' van O2. tot stand is gekomen. Ondanks dat de rechtbank op 17 augustus 2005 had overwogen dat een zelfstandig medisch onderzoek diende plaats te vinden, blijkt dat door O2. slechts dossierstudie is gedaan. Ook om deze reden komt de beslissing op bezwaar voor vernietiging in aanmerking.

8. De overweging in de beslissing op bezwaar dat D. klachten ondervindt die zeer ten dele kunnen worden verklaard door geobjectiveerde onderliggende medische stoornissen, is onjuist. Een behoorlijk onderzoek had O2. tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid.

9. O2. heeft de voorschriften, opgenomen in de standaard verminderde arbeidsduur, niet opgevolgd. Zijn oordeel dat toepassing ervan niet tot urenbeperking kan leiden omdat de beperkingen van D. niet binnen één van de drie indicatiegebieden zouden vallen is onjuist. Wat de eerste en derde categorie betreft is die conclusie in ieder geval onjuist. O2. motiveert niet afdoende op grond waarvan hij tot de conclusie komt dat D2. niet gecategoriseerd zou kunnen worden in de indicatie gebieden 1 en/of 3 (energetisch en preventief).

Beslissing 7 april 2006
10. Bij besluit van 7 april 2006 heeft het UWV de WAO-uitkering van D. herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Ten grondslag aan deze beslissing ligt een beoordeling van verzekeringsarts K4., die D. op 8 december 2005 heeft onderzocht in het kader van een eenmalige herbeoordeling volgens het aangepaste schattingsbesluit.

11. K4. stelt dat geen sprake is van een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. Dit is onjuist. Reumatoloog S8. heeft in 1993 en 1997 reeds geconcludeerd dat dit wel het geval is (zie punt 15 beroepschrift). Daarnaast toont K4. onvoldoende aan dat geen sprake zou zijn van een verminderde energetische belastbaarheid, een verminderde beschikbaarheid voor arbeid of een preventieve oorzaak. Mitsdien zou toch in ieder geval reden moeten bestaan om te komen tot een (zeer forse) urenbeperking.

12. De door K4. opgestelde functionele mogelijkhedenlijst is in het geheel niet in overeenstemming met de beperkingen van D.. D. is sterk beperkt in persoonlijk functioneren. Hij kan zich zeer beperkt concentreren. Hij is niet in staat om tenminste een half uur de aandacht te verdelen over meerdere informatiebronnen. Ook is zijn geheugen, afhankelijk van de spanningsbalans, niet altijd even adequaat.

13. Het rapport van K4. is grotendeels onjuist. Hij concludeert op diverse onderwerpen volledig tegengesteld aan de mogelijkheden van D.. Zo vindt K4. dat het handelingstempo van D. normaal zou zijn. Zoals D. zelf heeft aangeven, en dat ook blijkt uit het onderzoek van de verzekeringsarts, is dit onjuist.

14. Voorts wordt gesteld dat er geen overige beperkingen zijn in het persoonlijk functioneren en dat het sociaal functioneren van D. normaal is. Uit de beschrijving van zijn dagelijkse activiteiten blijkt dat nagenoeg geen mogelijkheden bestaan tot behoorlijk functioneren (in een sociaal verband).

15. Ook wordt gesteld dat D. normaal gebruik zou kunnen maken van vervoer, hetgeen niet voortvloeit uit het onderzoeksverslag van de verzekeringsarts. Ten onrechte stelt K4. voorts dat daar waar het fysieke omgevingseisen betreft, er geen voorwaarden moeten worden gesteld. Zoals blijkt uit het onderzoeksverslag is dat juist wel het geval. Verder is de analyse van K4. ten aanzien van dynamische handelingen onjuist. D. is beperkt in het gebruik van handen en vingers, zowel het gebruik als de duur. Hij is ernstig dynamisch beperkt ten aanzien van reiken. Elk uur van de werkdag ongeveer 300 keer reiken, zoals K4. stelt is voor D. onmogelijk. Dit zelfde geldt ten aanzien van zijn analyse met betrekking tot buigen, duwen, trekken, tillen, lopen, klimmen, knielen en hurken en dragen. Ook daar waar het betreft de statische houding is D. ernstig beperkt. Acht uur per dag werken behoort voor D. helaas niet tot de mogelijkheden, zodat de conclusie van K4. hieromtrent onjuist is.

16. Het vorenstaande leidt ertoe dat ook de kritische functionele mogelijkhedenlijst niet juist is vastgesteld (zie de reactie van D. op de rapportage van verzekeringsarts K4. d.d. 24 februari 2006).

17. Mede omdat een onjuiste functionele mogelijkhedenlijst tot stand is gekomen, is de door arbeidsdeskundige L1. samengestelde functielijst d.d. 6 maart 2006 onjuist. Er is immers uitgegaan van onjuiste uitgangspunten.

18. D. kan zich voorts niet verenigen met hetgeen de bezwaarverzekeringsarts H9. heeft gesteld in de medische rapportage van 6 februari 2007. Enerzijds is sprake van ernstige beperkingen, ten gevolge waarvan D. volledig arbeidsongeschikt is. Voorts kan worden opgemerkt dat de standaard verminderde arbeidsduur onjuist is toegepast.

19. Vanwege de onjuiste beoordeling door H9. is ook de arbeidskundige beoordeling niet juist uitgevoerd. De conclusie van de arbeidsdeskundige dat D. moet worden ingedeeld in arbeidsongeschiktheidsklasse 15-25% is mitsdien onjuist.

20. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2007 geen stand kan houden. Het UWV heeft het onderzoek op onzorgvuldige wijze uitgevoerd. Wat betreft het primair besluit 1 heeft geen medisch onderzoek plaatsgevonden, doch slechts dossieronderzoek. Daarnaast heeft het anderhalf jaar geduurd eer deze beslissing door UWV is genomen. Daarenboven geldt ten aanzien van het primair besluit 1 en het primair besluit 2, dat deze inhoudelijk onjuist zijn.

21. Al hetgeen D. heeft aangevoerd leidt tot de conclusie dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. D. is niet in staat om één uur per dag betaalde arbeid te verrichten. De functionele mogelijkhedenlijst ten aanzien van D. is om die reden onjuist vastgesteld. De berekening van het verlies aan verdienvermogen is daarmee eveneens onjuist.

22. Het complexe ziektebeeld van D. rechtvaardigt een algehele vermindering van de arbeidsduur, en wel in die mate dat sprake is van algehele arbeidsongeschiktheid. D. heeft dat ook aangetoond. Zijn pijn-, concentratie- en vermoeidheidsklachten leiden tot fors energieverlies en dus tot forse (energetische) beperkingen. Daarnaast leiden werkzaamheden van enige substantiële omvang, zelfs met pijnstillers en allerlei hulpmiddelen, zoals een halskraag en dergelijke, tot een zodanige overbelasting dat hij in het geheel niet meer zou kunnen functioneren. Daarbij komt dat deze ernstige schade toebrengen aan zijn (gebrekkige) gezondheid. De leefomstandigheden en fysieke mogelijkheden van D. zijn ernstig beperkt, zo is bijvoorbeeld fysiotherapie voor hem niet mogelijk.

23. Daarbij komt het volgende. D. wenst een beroep te doen op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien de redelijke termijn als bedoeld in deze bepaling is overschreden.

24. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

25. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties, in zaken zoals deze, in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in het vorige punt vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

26. In het onderhavige geval zijn deze termijnen in algemene zin fors overschreden. Immers, de onderhavige procedure loopt feitelijk al sedert 12 augustus 2004 sedert 2004 voor wat betreft het besluit van 16 juli 2004 en 15 mei 2006 voor wat betreft het besluit van 7 april 2006. Daarmee loopt de onderhavige procedure bijna thans 7,5 jaar.

27. De nieuwe beslissing op bezwaar na verwijzing van de rechtbank bij besluit van 17 augustus 2005 heeft 2 jaar en 8 maanden op zich laten wachten. De procedure bij de rechtbank duurde vervolgens bijna 6 maanden. Het beroepschrift bij uw raad is op 29 november 2007 ingediend en is derhalve ruim 4 jaar in behandeling.

28. Daarmee is elke redelijke termijn overschreden. Dit leidt ertoe dat D. zijn petitum wenst aan te vullen in die zin dat uw Raad aan D. een bedrag toekent ten bedrag van 500,-- per half jaar dat de door de Raad aangegeven redelijke termijn van 3,5 jaar is overschreden. Dat leidt tot een vergoeding van, indien de uitspraak van uw Raad volgt voor 12 februari 2012, € 2.500,--. Volgt de uitspraak na 12 februari 2012, dan kan de vergoeding worden vastgesteld op € 3.000,--.

29. Gezien al het bovenstaande persisteert D. bij vernietiging de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2007 en blijft overigens bij zijn petitum in het inleidend beroepschrift, aangevuld met hetgeen onder punt 28 van dit verzoekschrift is opgenomen.

Ik dank u voor uw aandacht!

gemachtigde


Ik heb gevraagd of iemand voor mij een verslag wilde maken van de zitting. Dus op de zitting was ik zelf niet aanwezig vanwege de reis-afstand. Maar er waren dus twee mensen namens mij aanwezig, mijn advocaat en degene die voor mij een verslag maakte.
Dat is als het ware het meest dichtbij dat ik kon komen.

Hierna volgt het verslag van degene die namens mij een verslag maakte. Omdat ik de verantwoording draag voor het publiceren op deze website, is het door mij hier en daar wat aangepast, en heb ik het wat meer in mijn schrijfstijl veranderd.
Ook de citaten van wat gezegd is, kan niet als een letterlijke citaten worden opgevat.

Dit is hoe de zitting ging volgens degene die namens mij verslag maakte (en wat door mij is aangepast):
Zitting:
Procedurenummer: CRvB 07 / 6671 WAO R008 94
Datum: 21 december 2011
Zitting: van 11:45 tot 12:30
Aanwezig:
Drie rechters (raadsheren), waarvan één de voorzitter.
Een griffier, die een verslag maakte.
Mijn advocaat, die zijn pleitnota voorlas.
Een jurist van het UWV.
Degene die namens mij verslag maakte zit op de publieke tribune.
Op de publieke tribune zitten ook arbeidsdeskundigen in opleiding.

Mijn advocaat verontschuldigd zich dat ik er niet bij kon zijn.
De voorzitter wist van mijn vraag of ik er door middel van een video-verbinding bij zou willen zijn, maar dat is helaas (nog) niet mogelijk. Hij had daarom ook niet verwacht dat ik erbij zou zijn, ook omdat een en ander uit mijn dagverhaal duidelijk is geworden.

Mijn advocaat leest zijn pleitnota voor.

Daarna vraagt de voorzitter aan de jurist van het UWV om daarom te reageren.
De jurist van UWV wil er niet expliciet op reageren, maar heeft wel een en ander voorbereid en dat wil hij de Raad graag toelichten:
In onderhavige casus zijn twee besluiten betrokken, respectievelijk van 1 juni 2004 en 7 juli 2006, en gaat over zowel de medische grondslag als over de functies die belanghebbende (dat ben ik dus) zou kunnen doen. De urenbeperking die eerder was toegekend was gebaseerd op psychische aspecten. De onderzoeken zijn door verzekeringsartsen gedaan, waarbij zeer uitgebreid aandacht is besteed aan dossierstudie van belanghebbende.
Ook zijn de bevindingen van reumatoloog S8. in de beoordeling betrokken, want belanghebbende echt daar ook grote waarde aan. Echter diagnosen zijn niet richtinggevend voor aan te nemen beperkingen, beperkingen zijn gestoeld op de belemmeringen in het dagelijks functioneren van belanghebbende. Reumatoloog S8. heeft o.a. vastgesteld dat er sprake is van chronische nek, rug en spier klachten waarbij scoliose en een mechanische functie stoornis. Daardoor zijn de beperkingen van belanghebbende deels geobjectiveerd en daarmee is dan ook in onderhavige FML rekening gehouden.
De eerste beoordeling is uitgevoerd door twee primaire verzekeringsartsen, de tweede beoordeling door éé verzekeringsarts.
Daarna is er ook door de bezwaarverzekeringsarts naar de casus gekeken, waarbij opgemerkt dient te worden dat door belanghebbende nimmer aanvullende medische documenten ingebracht die meer beperkingen zouden rechtvaardigen laat staan wederom een urenbeperking toe te kennen.
De voorzitter vraagt aan de jurist van het UWV of hij een kopie van zijn verhaal wil maken en dat aan de griffier te geven.
De jurist van het UWV kreeg hierover aan het begin van zijn verhaal al vragen over, maar hij had alleen aantekeningen voor zichzelf.
De jurist van het UWV gaat verder.
De jurist van het UWV voegt nog benadrukkend toe, dat de Raad twee uitspraken van Rechtbanken had verworpen omdat die uitspraken onterecht waren doordat die procedures niet op de belastbaarheid zagen. En verder: Dat de urenbeperking onterecht was en dus voltijdse belastbaarheid had moeten zijn. De grief dat de urenbeperking onvoldoende is gemotiveerd acht de jurist terecht, echter omdat er geen medische redenen zijn is de intrekking van de urenbeperking terecht.
Overigens heeft bezwaarverzekeringsarts H9. belanghebbende wel gezien op de hoorzitting, maar niet onderzocht. En S8. heeft met betrekking tot de datum in geding zich nooit uitgelaten wat betreft de situatie van belanghebbende, maar een en ander afkomstig uit 1993 is wel in de beoordeling(en) betrokken van uit het medisch dossier. De verzekeringsartsen P2. en K4. hebben in elk geval geen reden of indicatie gezien om belanghebbende een urenbeperking toe te kennen.
Het traject na uitspraak van de Rechtbank Rotterdam is inderdaad wel erg lang geweest door juridische afwegingen, maar art. 6 EVRM (redelijke termijn) is niet eerder aan de orde geweest in de procedure, en dus
De voorzitter onderbreekt hier de jurist van het UWV en merkt op: "maar dat kan ook ter zitting hoor dus daar wordt gewoon uitspraak over gedaan". Daarmee is het verhaal van de jurist van het UWV afgekapt en stopt daarmee.

De voorzitter zegt tegen mijn advocaat dat bij punt 9 van het aanvullende hoger beroepschrift staat dat de klachten van belanghebbende zijn geobjectiveerd. Hij vraagt aan mijn advocaat waar dat uit blijkt.
Mijn advocaat antwoord dat daar moeilijk antwoord op te geven is, en dat het in elk geval blijkt uit de bestaande medische gegevens ondanks dat er geen aanvullende medische gegevens zijn.

De voorzitter zegt tegen mijn advocaat dat bij punt 12 van het aanvullende hoger beroepschrift staat dat de beoordeling van 1 juni 2004 een beoordeling is middels het aangepaste schattingsbesluit, maar dat klopt niet want het aangepast schattingsbesluit is pas op latere datum toepasbaar.
Mijn advocaat bevestigd dat het inderdaad niet klopt.
De voorzitter zegt tegen mijn advocaat dat bij punt 14 van het aanvullend hoger beroepschrift staat dat het besluit medisch onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat daarom de Raad wordt gevraagd om een onafhankelijk deskundige aan te wijzen. Maar er staat niet welke deskundige.
Mijn advocaat moet even nadenken en zegt dan orthopeed of reumatoloog.

De voorzitter zegt tegen mijn advocaat dat hij zegt dat de beperkingen onderschat zijn waardoor de FML niet juist is en daarom ook de functies niet geschikt geacht kunnen worden. De voorzitter vraagt aan mijn advocaat of het zo is dat als de FML wel juist zou zijn ook de functies juist zijn.
Mijn advocaat weet daar geen antwoord op.

De voorzitter zegt tegen mijn advocaat dat hij vraagt om een schadevergoeding onder toepassing van art. 6 EVRM, en hij vraagt welke schade dat dan is.
Mijn advocaat zegt dat het om psychische schade gaat, omdat belanghebbende maar moet wachten en wachten, en dat geeft maar stress.
De voorzitter vraagt wie die schade dan moet vergoeden, op wie mijn advocaat dat wil verhalen.
Mijn advocaat zegt dat hij denkt dat de staat dat zou moeten vergoeden.
De voorzitter sluit netjes af en zegt dat ze er naar zullen kijken en uitspraak over doen.

De voorzitter zegt tegen de jurist van het UWV, dat de redelijke termijn wel erg lang is geweest, en dat die redelijke termijn is gaan lopen met het bezwaarschrift van belanghebbende d.d. 12 augustus 2004, dat blijkt uit het aanvullend bezwaar, de stukken die gaan over 12 augustus 2004 ontbreken echter aan het dossier, dus is niet te zien of dat juist is. De voorzitter vraagt aan de jurist van het UWV of hij kan bevestigen dat er voor het eerst bezwaar is gemaakt op 12 augustus 2004.
De jurist van het UWV zegt dat hij dat wel durft te bevestigen, volgens hem is dat gewoon zo. Volgens de jurist zou ik wat dit betreft in mijn communicatie principieel accuraat zijn, dat het niet anders kan dan dat dit klopt.

De zitting wordt gesloten met de mededeling dat de Raad binnen zes weken uitspraak zal doen, dus uiterlijk 1 februari 2012.


Ik ben flink verbouwereerd als ik lees wat er allemaal gezegd is tijdens de zitting.
Vooral wat de jurist van het UWV allemaal beweerd, daar klopt nauwelijks iets van. Als de jurist van het UWV dit van te voren in een brief naar de Centrale Raad van Beroep had gestuurd, dan had ik daar op kunnen reageren. Nu doet hij allerlei kromme en onjuiste beweringen, terwijl ik zelf er niet bij aanwezig ben.
Het verslag van degene die namens mij een verslag maakte is behoorlijk precies, dus mijn reactie is onder voorbehoud dat het verslag klopt.
• De jurist van het UWV beweert dat bezwaarverzekeringsarts H9. mij op de hoorzitting heeft gezien. Dat is niet waar.
• Volgens de jurist van het UWV zou verzekeringsarts P2. geen reden hebben voor een urenbeperking. Dat is niet waar.
• Volgens de jurist van het UWV is het traject na de Rechtbank Rotterdam lang geweest door "juridische afwegingen". Dat is wel heel erg krom. De Rechtbank Rotterdam gaf de opdracht mij te keuren en binnen zeg weken een nieuwe beslissing te nemen. Het UWV ging mij niet keuren, nam geen nieuwe beslissing, maar liet een dokter (die mij nog nooit gezien heeft) een brief schrijven waarin op leugenachtige wijze een urenbeperking werd opgeheven. Die brief werd vervolgens in het dossier gestopt, zonder mij ook maar iets te laten weten.
En dat noemt de jurist van het UWV: "juridische afwegingen".

De voorzitter (de belangrijkste rechter) zegt dat mijn voorlopig bezwaarschrift niet in het dossier zit.
Maar dat heb ik zelf bij de stukken toegevoegd bij de procedure bij de Rechtbank Rotterdam. Al die stukken zijn naar de Centrale Raad van Beroep gegaan. Dus dat zit in het dossier. Mijn advocaat heeft zelfs nog in november of december 2011 via de telefoon met de Centrale Raad van Beroep gesproken, en toen is gezegd dat ze al de stukken van de Rechtbank Rotterdam hebben.
Over de mijn voorlopig bezwaarschrift van 12 augustus 2004:
Mijn voorlopig bezwaarschrift van 12 augustus 2004 was in mijn vorige procedure (mijn achtste beroepszaak). Die procedure won ik, en de rechter gaf een opdracht aan het UWV om mij te keuren. Nu moet de Centrale Raad van Beroep bepalen of dat goed is gebeurd.
Op 6 juni 2007 stuurt het UWV hun dossier naar de Rechtbank. Dat was erg onvolledig, en zonder inventarislijst. Mijn voorlopig bezwaarschrift van 12 augustus 2004 zat daar inderdaad niet bij.
Met mijn brief van 1 augustus 2007 stuur ik een grote hoeveelheid papieren naar de Rechtbank Rotterdam. Het belangrijkste deel is "UWV dossier (de overige nog ontbrekende stukken)". In de inventarislijst is gemakkelijk te zien dat bij nummer 120 mijn voorlopig bezwaarschrift van 12 augustus 2004 zit.
In die brief maak ik ook heel duidelijk bezwaar dat het dossier van het UWV onvolledig is en zonder inventarislijst. Ik schrijf zelfs: "Dit gaat steeds meer op valsheid in geschrifte lijken...", omdat het UWV een computeruitdraai op een verkeerde datum in de stukken heeft gedaan.
Nu vraag ik mij af of de voorzitter alleen de stukken kent die het UWV stuurt, of dat hij ook heeft gekeken naar de ruim 5 kg aan papieren die ik nog heb gestuurd.

2012

Ik ontving de uitspraak. Hieronder staat eerst de begeleidende brief:

thumbnail
de Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep

AANTEKENEN

### Advocaten
tav de heer mr. P12.

datum 1 februari 2012
ons kenmerk CRvB 07 / 6671 WAO R008 94

onderwerp D. te ### / de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen /

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij stuur ik u een kopie van de uitspraak.

Als de uitspraak verwijst naar een LJN-nummer, dan is de tekst van die uitspraak onder dat nummer gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Hoogachtend,
de griffier,
G11.

thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail
07/6671 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

op het hoger beroep van:

D., wonende te ### (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2007, 07/1682 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 1 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P12., advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2011. Namens appellant is verschenen mr. P12.. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W12..

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 16 juli 2004 heeft het Uwv deze WAO-uitkering met ingang van 1 juni 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaarschrift is op 12 augustus 2004 door het Uwv ontvangen. Bij besluit van 18 februari 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 augustus 2005 (05/1394) het beroep tegen het besluit van 18 februari 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv binnen zes weken na verzending een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank was samengevat van oordeel dat het Uwv volstrekt onvoldoende had gemotiveerd om welke reden de aan appellant opgelegde urenbeperking van zes uur per dag gehandhaafd diende te blijven. Gelet op de ingangsdatum van de herziening van de WAO-uitkering diende volgens de rechtbank vast komen te staan, na zelfstandig medisch onderzoek, of er lichamelijke dan wel psychische afwijkingen of beperkingen zijn die een urenbeperking ten aanzien van algemeen geaccepteerde arbeid per 1 juni 2004 rechtvaardigen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.3. Bij besluit van 7 april 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan dit besluit ligt ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts K4. van 3 februari 2006. Deze arts heeft bij medisch onderzoek van appellant afwijkende bevindingen vastgesteld en acht appellant aangewezen op werkzaamheden conform de door hem opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 3 februari 2006. De arbeidsdeskundige L1. heeft in zijn rapport van 28 maart 2006 geconcludeerd dat appellant met inachtneming van deze medisch beperkingen werkzaamheden kan verrichten als calculator (electro), samensteller metaalwaren en electronica monteur en daarmee een inkomen kan verdienen dat, afgezet tegen zijn maatmanloon, leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van bijna 19%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaarschrift is op 16 mei 2006 door het Uwv ontvangen.

1.4. Bij besluit van 2 april 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 16 juli 2004 en 7 april 2006 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2004 is ongegrond verklaard omdat het Uwv zich alsnog op het standpunt stelt dat er voor appellant geen medische urenbeperking geldt voor andere functies dan de maatgevende functie. Dat standpunt is gebaseerd op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts O2. van 10 oktober 2005. Uitgaande van het gegeven dat appellant op en na 1 juni 2004 full time zou kunnen werken, zou zijn mate van arbeidsongeschiktheid per die datum gebaseerd moeten worden op een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse dan de klasse 55 tot 65%. Aangezien de functies waarop de (eventuele) lagere klasse zou moeten worden gebaseerd appellant niet (tijdig) zijn aangezegd, is het Uwv van mening dat de WAO-uitkering met ingang van 1 juni 2004 terecht is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2006 is ongegrond verklaard onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts H9. van 6 februari 2007 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige K11. van 29 maart 2007.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 2 april 2007 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij de nieuwe beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2004 pas anderhalfjaar na de uitspraak van 17 augustus 2005 heeft ontvangen terwijl de rechtbank in die uitspraak het Uwv had opgedragen om binnen zes weken na verzending een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Appellant meent dat het rapport van bezwaarverzekeringsarts O2. van 10 oktober 2005 onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat volstaan is met dossierstudie en geen zelfstandig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, zoals de rechtbank in haar uitspraak van 17 augustus 2005 had overwogen. Volgens appellant rechtvaardigt zijn complexe ziektebeeld een algehele vermindering van de arbeidsduur en wel in die mate dat sprake is van algehele arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft verder nogmaals gewezen op de medische informatie van de reumatoloog S8. van 23 augustus 1993 en 18 december 1997, waaruit volgens hem blijkt dat zijn beperkingen een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte. Ter zitting heeft appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Beslistermijn

4.1. De Raad stelt vast dat de rechtbank in haar uitspraak van 17 augustus 2005 (verzonden: 23 augustus 2005) het Uwv heeft opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met het besluit van 2 april 2007 heeft het Uwv deze termijn overschreden. Deze overschrijding vindt geen rechtvaardiging in de gedingstukken. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen - bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 12 december 2006, LJN AZ4884 - gaat het hier evenwel om een termijn van orde, waaraan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op zichzelf geen consequenties verbindt. De Raad zal daarom volstaan met de constatering dat appellant terecht heeft aangevoerd dat de termijn waarbinnen het Uwv een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen, is overschreden.

Herziening WAO-uitkering per 1 juni 2004 naar 55 tot 65%

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat met het rapport van bezwaarverzekeringsarts O2. van 10 oktober 2005, na zelfstandig medisch onderzoek, voldoende is gemotiveerd waarom er met ingang van 1 juni 2004 geen urenbeperking voor appellant dient te gelden. De bezwaarverzekeringsarts heeft dat oordeel op inzichtelijke wijze toegelicht waarbij is getoetst aan de indicaties tot het stellen van een urenbeperking uit de Standaard verminderde arbeidsduur.

4.3. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat het rapport van bezwaarverzekeringsarts O2. van 10 oktober 2005 onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat is volstaan met een dossieronderzoek en appellant niet medisch is onderzocht. Uit de uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2005 volgt niet dat het Uwv gehouden was tot het verrichten van een dergelijk medisch onderzoek. De Raad heeft bovendien reeds vaker overwogen - bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 29 januari 2008, LJN BC3306 - dat de enkele omstandigheid dat een bezwaarverzekeringsarts een betrokkene niet medisch heeft onderzocht niet betekent dat reeds daarom sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming in bezwaar. In het onderhavige geval kon bezwaarverzekeringsarts O2. volstaan met een dossieronderzoek omdat hij reeds de beschikking had over een grote hoeveelheid medische gegevens van appellant en bovendien niet viel te verwachten dat een nieuw medisch onderzoek, zoveel jaren na de in geding zijnde datum, nog toegevoegde waarde zou kunnen hebben.

4.4. Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts niet juist te achten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant geen medische informatie heeft verstrekt welke twijfel doet rijzen aan de juistheid van de door bezwaarverzekeringsarts O2. vastgestelde medische beperkingen.

4.5. Het Uwv heeft terecht het standpunt ingenomen, gelet op de in acht te nemen zorgvuldigheid, dat geen nieuwe (fulltime) functies voor appellant geduid mogen worden per 1 juni 2004. Het Uwv heeft daarom de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 juni 2004 op goede gronden bepaald op 55 tot 65%.

Herziening WAO-uitkering per 7 juni 2006 naar 15 tot 25%

4.6. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts zorgvuldig tot stand is gekomen en dat er geen reden is om het medisch oordeel dat aan het besluit van 2 april 2007 ten grondslag ligt voor onjuist te houden.

4.7. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor een ander oordeel. De informatie van neuroloog S8. heeft geen betrekking op de datum in geding en biedt ook overigens geen enkel aanknopingspunt dat het Uwv de medische beperkingen van appellant per 7 juni 2006 zou hebben onderschat.

4.8. Vergelijking van het inkomen dat appellant kan verdienen in de hem voorgehouden functies met zijn maatmaninkomen leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van ruim 19%. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid per 7 juni 2006 dan ook op goede gronden bepaald op 15 tot 25%.

4.9. Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Schending redelijke termijn

4.10. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009.

4.11. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 25 maart 2009, LJN BH9991, moet in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en (eventueel) een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie).

4.12. Voor de procedure inzake de herziening van de WAO-uitkering per 1 juni 2004 betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het eerste bezwaarschrift van appellant op 12 augustus 2004 tot de datum van deze uitspraak zijn 7 jaar en ruim 5 maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan 4 jaar zou mogen bedragen. De Raad stelt vast dat de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 29 maart 2005 tot de uitspraak op 17 augustus 2005 ruim 4 maanden heeft geduurd, zodat in deze fase de behandelingsduur van anderhalfjaar niet is overschreden. De hernieuwde behandeling door de rechtbank is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift op 9 mei 2007 en geëindigd met de aangevallen uitspraak op 1 november 2007, zodat ook in deze fase de behandelingsduur van anderhalfjaar niet is overschreden. De behandeling bij de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 3 december 2007 en eindigt met de uitspraak op 1 februari 2012. Deze fase heeft dus meer dan 4 jaar in beslag genomen. De behandeling door de rechtbank en de Raad tezamen heeft niet minder dan drie en een half jaar geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke fase als in de rechterlijke fase is geschonden.

4.13. Voor de procedure inzake de herziening van de WAO-uitkering per 7 juni 2006 betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 16 mei 2006 tot de datum van deze uitspraak zijn 5 jaar en ruim 8 maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar (vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 16 mei 2006 tot het besluit op bezwaar van 2 april 2007) ruim 10 maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank (vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 9 mei 2007 tot aan de aangevallen uitspraak op 1 november 2007) bijna 6 maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad (vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 3 december 2007 tot deze uitspraak) 4 jaar en 2 maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

4.14. Aan hetgeen in 4.10 tot en met 4.13 is overwogen verbindt de Raad de gevolgtrekking dat in beide procedures, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

4.15. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 12/380 BESLU en 12/388 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door G10. als voorzitter en C10. en V16. als leden, in tegenwoordigheid van H24. als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012.

(get.) G10..
(get.) H24..

Voor eensluidend afschrift
verzonden op: -1 FEB. 2012
voor de Griffier van de Centrale Raad van Beroep
G11.

Deze uitspraak is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer LJN: BV2540
Deeplink naar de site van de rechtbank: www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV2540 (geldig in 2013).

Op internet (www.rechtspraak.nl) wordt ook een samenvatting van de uitspraak gemaakt. Dit is de samenvatting die van de uitspraak is gemaakt:
LJN: BV2540, Centrale Raad van Beroep , 07/6671 WAO
Datum uitspraak: 01-02-2012
Datum publicatie: 02-02-2012
Rechtsgebied: Sociale zekerheid
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Herzieningen WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten om het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts niet juist te achten. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 juni 2004 op goede gronden bepaald op 55 tot 65%. Het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts is zorgvuldig tot stand gekomen en er is geen reden om het medisch oordeel dat aan het besluit van 2 april 2007 ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid per 7 juni 2006 dan ook op goede gronden bepaald op 15 tot 25%. Heropening ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Mijn commentaar op de uitspraak

Overige verwijzingen in de uitspraak:
• Bij 4.3: LJN BC3306: www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BC3306
• Bij 4.10: LJN BH1009: www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BH1009
• Bij 4.11: LJN BH9991: www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BH9991

Vervolgens kwam er een briefwisseling en procedure op gang over de schadevergoeding.

Laatste wijziging van deze bladzijde: september 2013