Na het aanmeld-gesprek met mevrouw K9.
van het Riagg kwamen de intake-gesprekken met sociaal-psychiatrisch-verpleegkundige
dhr. B10..
Het waren een flink aantal gesprekken, en hij is ook bij mij thuis
geweest, en heeft mijn foto-albums bekeken.
Dit is de oproep die ik ontving:
riagg zeeland
De heer D.
Middelburg, 2 juni 1992
Referentie: SPT/JB/mt
Geachte heer,
Hiermede nodig ik u uit voor een vervolggesprek met de heer B10., op vrijdag 5 juni a.s. om 16.00 uur, op ons akntoor.
Wanneer u verhinderd bent. ontvang ik hiervan graag even een berichtje.
Met vriendelijke groet,
T?.,
secretaresse.
Volgens mijn agenda uit 1992 ging ik naar dhr. B10. op
de volgende datums:
• 5 juni 1992, 16:00
• 18 juni 1992, 11:30
• 24 juni 1992, 9:00
• 1 juli 1992, 14:00
• 15 juli 1992, 10:00
• 22 juli 1992, 9:30 bij mij thuis
• 31 juli 1992, 10:00
• 8 september 1992, 13:30
• 29 september 1992, 16:00
• 14 oktober 1992, 14:00
Toen ik bij het eerste gesprek de stoel zag die voor mij bedoeld was, vertelde ik dat ik moeite heb om daar op te zitten. Dhr. B10. bood toen zijn eigen stoel aan, die een hoge rugleuning had. Maar die rugleuning had een bepaalde vorm en zou daardoor nog slechter voor mij zijn. Dus ik ben niet op zijn stoel gaan zitten, ik heb het ook niet even geprobeerd.
Aan het begin van het eerste gesprek, zei dhr. B10. dat in hun team verschillende mensen waren besproken, en hij had mij uitgekozen om mee te praten. Hij had namelijk gehoord van iemand, die dezelfde voornaam als ik had, en in mijn woonplaats woonde, en aan trancedente meditatie deed. Ik zei, dat ik dat niet was. En hij vroeg dat nog eens, of ik dat echt niet was, en of ik echt niet aan trancedente meditatie deed.
Na een paar gesprekken vroeg hij aan mij wat ik van hem vond. Hij had eerder al gezegd dat hij zich in de gesprekken bescheiden opstelt en geen conflict zoekt (in hele andere woorden, maar hoe hij het vertelde ben ik vergeten). Ik heb toen geantwoord dat hij zoiets had gezegd en dat dat hem typeerde.
Na een aantal gesprekken vroeg hij of hij een keer bij mij thuis
langs mocht komen. Toen hij bij mij thuis was zei ik dat ik
geen koffie ging zetten. Ik deed dat niet, omdat ik dan teveel
heen en weer moest lopen, en dan zou ik minder fit zijn voor
het gesprek. Ik heb echter niet gezegd waarom ik geen koffie
ging zetten, maar achteraf had ik zulke dingen meer moeten
zeggen. Ik heb iets eenvoudigs te drinken aangeboden, misschien
sap of iets dergelijks.
Hij heeft mijn fotoalbums bekeken.
Hieronder volgt het verslag wat hij schreef naar aanleiding van
de vele gesprekken.
Ik ontving twee A4-tjes waar het verslag van het eerste gesprek en het verslag
van de intake gesprekken op stonden. Het PDF-bestand bevat alleen het verslag
van de intake gesprekken.
Vervolg-intake van de heer D.
Situatie nu: Zit nog steeds in de ziektewet. Zegt dat hij te lang heeft doorgewerkt met een enorme hekel. Kliënt werkt bij C8.. Kreeg allerlei opdrachten die hij nooit af kon maken, wat zeer frustrerend werkte. Een paar jaar tevoren heeft hij nog gewerkt in B., maar hij kreeg hier ook eigenlijk niet de vrienden die hij verwachtte. De mensen vonden dat ze geen vat op hem konden krijgen. Hij hoopte hier in Z. meer vrienden te kunnen maken. In zijn verhaal vertelt hij dat hij 4 jaar geleden ook al in de problemen zat, werd toen depressief sloot zich ook af van zijn ouders en via vrienden werd hij heel langzaam maar zeker uit zijn isolement gehaald.
Zijn ouders: Hij vertelt dat zijn vader een persoon is met wie je slecht kunt samenwerken. Pa houdt contact af, praat niet over serieuze zaken, daar maakt hij zich met een grapje vanaf. Vader zou meer aandacht hebben gegeven aan de duiven dan aan kliënt. Wanneer er thuis ruzie was, werd er niet meer op teruggekomen. Voor de buitenwacht moest alles mooi en aardig zijn. Hij vertelt dat hij zich vroeger heel veel alleen heeft gevoeld en weinig emoties merkte van zijn ouders. Hij heeft de slimheid van moeder en de ondeugd van vader. Zijn moeder heeft ook jaren in de woninginrichtingszaak meegewerkt. Het contact tussen moeder en hem is afstandelijk. Zij heeft hem nooit aangehaald, ze is wel bezorgd voor hem. Je kunt niet echt spreken van een liefdelijk contact. Hij heeft ook geen liefde voor haar gevoeld toen hij klein was. Hij vindt het trouwens toch heel moeilijk om zijn ouders te beschrijven. Zijn enige zus is 2 jaar ouder, is ook alleen, is oogartsassistente, gaat helemaal haar eigen gang en ze zoekt een vriend. Ze is wel een doorzetster. Op dit moment is ze bezig voor haarzelf met een doventaal-cursus. Met zus is hij een paar jaar geleden nog op vakantie geweest. De contacten die hij heeft die zijn er niet veel, hij voelt zich ook vaak alleen, en hij heeft geen sexuele ervaring. Een idee van het meisje wat hij zou willen hebben, dat is: ze moet gewoon zijn, geen overdreven poespas, lief en een eigen mening. Wel graag christelijk, liefst doopsgezind. Ouders zouden van Hervormde kerk zijn op gereformeerde grondslag.
Op dit moment voelt hij zich nog gauw moe en slaapt hij weinig. Hij denkt veel na over zijn werk en denkt dan m.n. aan (de stomme) directeur. Kliënt wil graag van zijn vermoeidheidsklachten en het feit dat hij weinig slaapt, afkomen.
Behandelplan: Een psychologisch onderzoek. Als resultaat hiervan mogelijk een groepstherapeutische behandelplan, met de vraag of dat ambulant zou moeten zijn.
In het bovenstaande rapport tel ik 16 leugens.
In het bovenstaande rapport staat dat alles voor de buitenwacht mooi en aardig moest zijn. Dat heb ik echter niet verteld. Hij denk dat het zo is, en hij schrijft dat gewoon op.
De eerste gesprekken met dhr B10. gingen over mijn vader,
mijn moeder, over vrienden, en uiteindelijk ging het
vooral over mijn jeugd. Hij wilde daarover vooral de
negatieve dingen weten. Als ik echter gewoon eerlijk en
objectief iets vertelde over gewone dagelijkse dingen,
dan zag hij dat als een stille hint, dat er iets verschrikkelijks
gebeurt moest zijn, en ik dat niet zou durven vertellen.
Dus eigenlijk maakte het niet uit wat ik vertelde.
Vanwege mijn christelijke opvoeding vroeg hij of mijn vader
het erg vond dat ik niet werkte. Hij zei dat in de bijbel iets
staat over werken "in het zweet uw's aanschijn", en dat mijn
vader het daarom misschien erg zou vinden dat ik niet werkte.
Ik vertelde hem dat zoiets niet speelde, en dat mijn vader
natuurlijk wel bezorgd was, dat ik vanwege gezondheidsproblemen
mijn werk niet kon doen. Maar ik vraag mij af, of dat wel
tot hem doorgedrongen is.
Ik heb gewoon open en eerlijk verteld over een bepaalde periode in mijn leven, toen ik mij tegen mijn ouders afzette. Ik heb verteld hoe ik toen over mijn ouders dacht. In het rapport worden die dingen opgeschreven alsof het zo altijd geweest is.
Dhr. B10. vroeg een keer, of ik misschien op mijn twaalfde al vrij lang was, waardoor mijn moeder mij misschien niet meer op haar schoot nam. Omdat ik echt niet meer weet, wanneer ik nog wel bij m'n moeder op schoot zat, en wanneer niet, heb ik gezegd dat ik dat niet meer weet. In zijn rapport probeert hij een wel zeer leugenachtig en uiterst kwetsend beeld te schetsen, dat mijn moeder mij nooit aangehaald zou hebben, en dat er geen sprake zou zijn van liefdelijk contact, dat ik geen liefde voor mijn moeder zou hebben gevoeld toen ik klein was, etc. Dat heeft hij dus allemaal zelf verzonnen.
Ik vertelde dat ik wel de kracht had om lichamelijke dingen
te doen, maar als ik teveel deed, had ik daar achteraf flink
wat problemen van. Ik vertelde dat ik mezelf dus moest inhouden.
Daarop reageerde hij verbaasd: "Oh, dus je wilt wel". Blijkbaar
was hij al die gesprekken daarvoor er vanuit gegaan, dat ik
niet wilde, of geen zin had om iets te doen.
Daarna ging hij trouwens op dezelfde manier verder, met dezelfde
soort vragen.
Dhr. B10. had met een aantal patiënten een loopgroep. Hij vroeg of ik daar ook aan mee wilde doen. Het lukte mij niet, om duidelijk te maken, dat zulke dingen nu precies de dingen waren die ik niet meer kon.
Dhr. B10. trok de dingen die ik vertelde nogal in twijfel.
Dat betrof zelfs over de meest onbenullige dingen.
Zo zei hij tegen mij, dat ik nogal netjes was, dat ik
mijn overhemd streek.
Toen ik daarop antwoordde, dat ik dat niet deed, geloofde
hij dat niet meteen, en moest ik gaan uitleggen, dat ik
niet eens een strijkijzer had.
Toen hij een keer vroeg: "Wanneer is je vader jarig?",
antwoordde ik daarop: "Niet zo vaak" (ik kon niet meteen
die datum opnoemen, en mijn vader was niet zo vaak jarig,
omdat hij op 29 februari jarig was). Toen ik dat
uitlegde, zei dhr. B10. dat hij dacht dat ik antwoordde
op stemmen in mijn hoofd.
In mijn "eigen verhaal" heb ik dat als een soort
anekdote
opgeschreven, maar het is eigelijk diep triest als
je op die manier een gesprek moet voeren.
Omdat ik geen vriendin had vroeg dhr. B10. aan mij of ik homo was.
En toen ik zei dat ik dat niet was, vroeg hij of ik
me dan misschien tot kleine kinderen voelde aangetrokken.
Dit neem ik dhr. B10. erg kwalijk. Hij stelde alleen maar
een paar vragen, maar het stellen van zo'n vraag
(die vraag over kinderen) is zelfs schadelijk voor mij.
Wat hij had moeten doen, is een open vraag stellen, en
naar mijn geaardheid vragen.
Alleen maar omdat ik
gezondheidsproblemen had, en geen vriendin had, leidde dat
er toe dat hij aan mij zo'n verschrikkelijke vraag stelde.
Voor alle duidelijkheid: ik voel me aangetrokken tot vrouwen
van ongeveer mijn leeftijd.
Dhr. B10. vond het niet normaal, dat ik op de middelbare school niet een paar verschillende sexuele contacten had gehad. Toen ik hem vertelde dat de anderen van mijn klas dat ook niet hadden, toen geloofde hij dat niet, en deed alsof ik een uitzondering was.
In de zomer van 1992 ging dhr. B10. met vakantie. Hij vroeg aan mij, of ik in die periode misschien met iemand anders wilde praten. Ik vond dat niet nodig. De vraag vond ik zelfs nogal raar. De gesprekken waren niet bepaald in mijn voordeel en ik had ze ook zeker niet nodig.
In de gesprekken vroeg dhr. B10. of ik soms nog extra ging controleren of ik de voordeur wel op slot had gedaan, als ik 's avonds ging slapen. Dat deed ik echter niet. Hij stelde nogal veel van dat soort vragen, en bleef die maar stellen. Daardoor ging ik op een gegeven moment inderdaad nog eens extra kijken of de voordeur wel op slot was. Ik ging zelfs onder mijn bed kijken, of daar alles wel veilig was. Dat heeft ongeveer een week geduurd. Toen realiseerde ik me, dat ik anders nooit zo angstig en onzeker was, en dat er iets fundamenteels mis was met het psychisch onderzoek door dhr. B10..
Omdat de gesprekken nogal raar gingen, moest ik iets verzinnen
om dhr. B10. uit te proberen. Hij had al een paar keer gezegd
dat ik mijn fysiotherapie-oefeningen daar bij hem op de grond
eens voor moest doen. Ik heb van te voren besloten om
dat niet te doen, en zo zijn reactie te peilen. Toen hij
inderdaad zei dat ik die oefeningen eens voor moest doen,
heb ik dat geweigerd, en ben gewoon gaan vertellen hoe
de fysiotherapie-oefeningen gingen. Wat hij daarop zei
weet ik niet meer, maar hij vond het raar dat ik dat niet
deed. Wat ik vertelde over die oefeningen, dat interresseerde
hem trouwens niet.
Ik heb daaruit de conclusie getrokken dat er met hem geen
gesprek van mens tot mens te voeren was, omdat hij niet
geïnteresseerd was in die fysiotherapie-oefeningen,
en volgens mij was hij blijkbaar ook niet geïnteresseerd
in mij.
Hij zette ook enige druk op me, dat ik vast iets traumatisch
in mijn vroege jeugd had meegemaakt. Daar moest ik
maar eens goed over denken. Ik heb nog nooit te
maken gehad met misbruik op sexueel gebied of iets wat
daar op lijkt, en er is ook geheel geen aanleiding voor
om in die richting te denken. Maar hij zei zelfs een keer, dat als
ik zei, dat zulke dingen niet waren gebeurd, dat ik het dan
verdrongen had. Daarmee probeerde hij mij een verdrongen
herinnering aan te praten. Achteraf gezien had ik toen
meteen een klacht moeten indienen, maar toen ging het mij
er alleen om, om weer aan het werk te kunnen.
Wanneer een hulpverlener in de gezondheidszorg probeert
om een patiënt zoiets aan te praten, dan mag zo'n
hulpverlener van mij één of twee maanden
de gevangenis in (per keer dat hij zoiets doet).
Dhr. B10. zei ook tegen mij dat ik mij niet ongerust hoefde te
maken, en dat ze er wel achter zouden komen, wat er psychisch
met mij mis was. Toen dat na vele gesprekken nog volstrekt
onduidelijk was, zei hij dat ik testen zou gaan doen, en
daar zou alles uit blijken.
De resultaten van die testen lieten erg lang op zich wachten,
en hij wilde gewoon doorgaan, door dezelfde kwetsende vragen opnieuw
te stellen.
Ik heb toen een keer gezegd, dat ik dat erg flauw vond, heb
hem een hand gegeven, en ben weggegaan. Voor zover ik me
herinner, heb ik dat daarna nog een keer gedaan.
Voor zover ik me kan herinneren heeft dhr. B10. in al die gesprekken
nooit duidelijk mijn klachten in kaart gebracht,
en niet duidelijk gevraagd naar de reden dat ik niet in staat was om mijn werk te doen.
Als hij dat wel gedaan had, zou hij misschien een lichamelijk onderzoek
voorgesteld hebben.
Achteraf was hij blijkbaar bezig om iets te ontdekken uit mijn vroege jeugd
dat ik niet zou willen vertellen.
En hij dacht blijkbaar dat als hij maar lang genoeg door zou
vragen, dat ik dat op een gegeven moment toch zou vertellen.
Als hij meteen had gevraagd of ik iets traumatisch in mijn jeugd
heb meegemaakt, waardoor ik mijn werk niet meer kon doen. Dan had ik
kunnen zeggen dat dat niet zo was. Dan waren al die zinloze gesprekken
niet nodig geweest.
De enige psychische schade die ik in mijn leven heb opgelopen, en
die niet meer vanzelf weggaat, is gekomen door deze intake-gesprekken,
door de constante stroom van zeer negatieve, kwetsende en
achterdochtige vragen.
Omdat tijdens de gesprekken met dhr. B10. het steeds duidelijker werd,
dat hij niet wist waar hij mee bezig was,
heb ik een beroep gedaan op een zelfstandige
psychologe, waarmee wel een gesprek
van-mens-tot-mens te voeren is.
Daardoor is de psychische schade nog enigszins beperkt gebleven.
Op het moment dat dhr. B10. probeerde om mij een verdrongen herinnering aan te praten,
toen had ik al gesproken met die zelfstandige psychologe. Ik was toen
dus gelukkig al wat weerbaarder.
De volgende brief schreef dhr. B10. naar mijn huisarts:
riagg zeeland
Aan : de heer B2., huisarts
Middelburg, 20 juli 1992
Referentie: SPT/JB/mt
Geachte heer,
In aansluiting op eerdere berichtgeving deel ik u mede, dat de
intakegesprekken met uw patiënt:
de heer : D.
geboren : ###
wonende : ###
zijn afgerond.
De intake heeft geleid tot het volgende besluit:
In september zal er een psychologisch onderzoek plaatsvinden om
e.e.a. duidelijker te krijgen.
Het is nu nog niet vast te stellen hoe hoog zijn lijdensdruk is.
Aan de hand van de resultaten wordt nader bekeken welke therapie
het best bij hem aan zal slaan.
Mocht u nadere informatie wensen dan hoor ik dit graag.
Met vriendelijke groet,
B10.
Na deze intage-gesprekken deed ik een psychologische test bij klinisch psycholoog drs. K7..
Later had ik nog een briefwisseling met dhr. B10.. Ik vroeg eerst
het dossier op. Die brief die ik stuurde heb ik geen copie van gemaakt,
en is niet meer te achterhalen.
Hieronder staat het antwoord van dhr. B10..
Achteraf bleek dat hij waarschijnlijk niet alles naar mij
heeft verzonden, en dat is nadelig voor mij geweest.
riagg zeeland
Middelburg, 15 juni 1993
Referentie: SPT/JB/yk
Aan: De heer D.,
Beste ###,
Hierbij de 'rapporten' van het screeningsverslag en intake
(dit was gecombineerd), verder de psychologische test.
De rapporten van de gesprekken zijn van de hulpverlener,
bedoeld als eigen aantekeningen, behoren niet bij het officiële
gedeelte, waar je inzage in hebt.
Mocht je het willen weten, zeg het me dan gerust!
Vriendelijke groeten,
B10.
Daarna vroeg ik, om
het verslag van het eerste gesprek te laten verwijderen. Ook die brief
die ik verstuurde heb ik helaas niet meer.
Daarop ontving ik de volgende brief:
riagg zeeland
Middelburg, 16 juli 1993
Ref.nr. 93.521 JB/pw
Aan de heer D.
Beste ###,
Uit jouw brief begrijp ik dat je graag de gegevens van het
intakegesprek wilt laten verwijderen.
Mijn voorstel zou zijn alles te laten vernietigen (copieën heb
je immers al thuis).
Als je ermee accoord bent, hebben we toestemming van jou nodig,
zodat het officiële gedeelte in werking kan worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
namens het SPT-Walcheren,
B10.
Met dat voorstel ben ik akkoord gegaan. Vervolgens kreeg ik de volgende brief:
riagg zeeland
Middelburg, 10 augustus 1993
Ref.nr. 93.571 pw
Betreft: Vernietiging dossier
Aan de heer D.
Geachte heer D.,
Hierbij delen wij u mee uw verzoek tot vernietiging van uw dossier te kunnen inwilligen.
In verband met wettelijke bepalingen dient voor de
dossiervernietiging een verklaring te worden ingevuld.
Derhalve doen wij u bijgaand toekomen een model van deze
verklaring met het verzoek deze in tweevoud te ondertekenen
en één exemplaar te retourneren. Zodra een
getekend exemplaar van het proces verbaal in ons bezit is,
kunnen wij overgaan tot vernietiging van uw dossier.
Hoogachtend,
namens de directie van de RIAGG-Zeeland,
drs. N4.,
algemeen directeur.
Bijlagen.
riagg zeeland
PROCES VERBAAL VERNIETIGING DOSSIER
Gelet op het verzoek van :
Naam : D.
Adres : ###
postcode : ###
Woonplaats : ###
en gehoord het advies van de betrokken hulpverlener en het betrokken Sociaal psychiatrisch Team van de Riagg-Zeeland, besluiten wij, directie van de Regionale Instelling voor de Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg, tot het vernietigen van het dossier van de heer D., hetwelk zal geschieden onmiddellijk na het ontvangen van het getekende proces verbaal.
Namens de directie,
N4., algemeen directeur
S.P.T.
B10.
(de heer D.)
Achteraf was het in mijn nadeel, dat ik het ondertekend heb. Er was waarschijnlijk nog een brief van de aanvraag of aanmelding van mijn huisarts die ik nooit heb gezien (of zo'n brief er ook echt was weet ik niet zeker). Misschien waren er nog meer papieren.
Tijdens een klachtprocedure in 2002, tegen klinisch psycholoog drs. K7. van het Riagg, schreef ik nog een brief aan dhr. B10.:
Aan: E4., volwassenzorg
t.a.v. dhr. B10.,
sociaal-psychiatrisch verpleegkundige
M.
(aangetekend)
30 september 2002
bijlagen:
• verslag van mevr. K9., en verslag van u.
• brief van u aan mijn huisarts, d.d. 20 juli 1992.
• verslag psychologisch onderzoek van drs. K7..
• brief van verzekeringsarts, d.d. 30 september 1992.
• brief van drs. K7., d.d. 19 november 1992.
• brief over verwijderen stukken, d.d. 16 juli 1993.
• brief over vernietiging dossier, 10 augustus 1993.
Geachte heer B10.,
In 1992 heeft u gesprekken met mij gevoerd, en vervolgens heb ik een psychologische test gedaan bij drs. K7.. Kunt u zich daar misschien nog iets van herinneren? En kunt u misschien nog enkele dingen duidelijk maken?
• Drs. K7. schreef, dat: "Patiënt bleef sterk geloven in een somatische hypothese betreffende zijn moeheid", en hij beweert dat hij dat van u gehoord heeft. Is dat zo? Ik heb zoiets namelijk niet gezegd.
• Volgens drs. K7. heeft hij ook van u vernomen, dat ik in de gesprekken "ontwijkend" zou zijn. Heeft u hem dat meegedeeld? In uw verslag kan ik dat niet lezen.
• Volgens drs. K7. heeft hij de lichamelijk aandoende klachten als een mogelijke somatisatiestoornis geënterpreteerd, omdat mijn huisarts zou hebben gezegd dat er geen somatische substraat gevonden was. Hij heeft echter niet bevestigd of ontkend of hijzelf contact met mijn huisarts heeft gehad. Heeft u daarover informatie ingewonnen? En zo ja, was dat bij mijn huisarts of bij de verzekeringsarts?
• Drs. K7. doet alsof hij de term "mogelijk passief-agressief" van u gehoord heeft, maar ik weet dat die term van mevr. K7. vandaan komt. Hoe heeft u die term in 1992 opgevat?
• Drs. K7. schrijft in zijn brief van 19 november 1992, dat ik weinig zicht heb op mijn eigen functioneren. Het lijkt mij wel duidelijk, dat hij dat van de verzekeringsarts heeft overgeschreven. Dus ik ga er van uit, dat hij dat niet van u heeft.
• Wiens verantwoording was het, om een uiteindelijk verslag naar mijn huisarts te sturen? Weet u waarom dat niet is gebeurd?
Met vriendelijke groet,
D.
Bovenstaande brief wilde ik aangetekend versturen, maar is helaas zonder
postzegels op de bus gegaan. Toen ik belde met de instelling van dhr. B10.,
werd mij verteld dat hij daar niet meer werkte.
Dus bovenstaande brief is een loze brief.
Op 10 september 2009 belde ik hem thuis op. Ik heb wel de naam van mijn website genoemd,
maar toen ik wilde uitleggen hoe hij bij de bladzijde over hemzelf moest komen,
toen vond hij dat niet nodig. Hij zei zoiets dat hij het vanzelf wel tegen zou
komen.
Ik vroeg of ik een briefje zou kunnen sturen met mijn naam en adres, maar
dat vond hij ook niet nodig.
Omdat ik nogal veel tijd heb gestoken om te beschrijven hoe het bij het Riagg
ging, en omdat ik hem wil confronteren met zijn werkwijze,
heb ik besloten om toch maar een brief te sturen.
Ik stuurde onderstaande brief.
De eerste pagina is de brief. De andere pagina's zijn een afdruk
van deze webpagina, zoals die toen was, en die ik als bijlage
meestuurde. Het PDF-bestand bevat alleen de bijlage.