Knotsgekke onzin
Mijn dossier hangt van onzorgvuldigheden aan elkaar.
Op deze bladzijde ben ik begonnen om een aantal dingen op te sommen.
Voor de Rechtbank schreef ik ook zoiets op, maar
dat noemde ik "Opsomming van onzorgvuldigheden"
en is wat meer 'juridisch' opgeschreven.
Ik kan mijn werk niet meer doen, en het UWV weigert mij te keuren.
Tot en met februari 1997 werkte ik halve dagen. Toen ik dat niet meer kon doen,
kwam ik bij
een keuringsarts.
Hij wilde weten of ik een nieuw probleem had met mijn gezondheid, of dat
bestaande klachten waren verergerd. Het waren mijn bestaande klachten die
waren verergerd. Hij zei dat hij alles hetzelfde liet en vond het niet
eens nodig om mij lichamelijk te onderzoeken.
Het UWV komt er achter, dat ik misschien toch gekeurd moet worden,
en ik wordt door
een tweede keuringsarts gekeurd. Zij stelde serieuze
vragen en onderzocht mij ook lichamelijk.
Zij durfde echter de eerste keuringsarts niet tegen te spreken,
en zij schreef geen rapport.
Ik kom vervolgens weer bij de eerste keuringsarts en hij keurt mij
nog steeds niet, en vertelt mij opnieuw dat hij alles hetzelfde liet.
Een specialist schrijft over lichamelijke klachten, en de
keuringsarts beweert dat daar staat dat het psychisch is.
Dit gaat trouwens over dezelfde keuringsarts als hierboven, die
mij niet keurde.
Een specialist
schrijft over een mechanische-functionele stoornis.
Als dat niet duidelijk zou zijn, dan blijkt dat natuurlijk uit de rest van
zijn rapport.
Maar de keuringsarts zegt dat het tussen mijn oren zit, en
beweert dat daar
staat dat het psychisch is,
en hij doet alsof er "functionele klachten" zou staan.
Tot en met het medisch tuchtcollege weigert hij zijn fout toe geven.
Het medisch tuchtcollege concludeert dat de arts fout is, maar
geeft hem geen waarschuwing want volgens het medisch tuchtcollege
maakt het toch niets uit als er geen rekening met mijn lichamelijke
klachten wordt gehouden.
Maar dat is nu juist waar het om ging.
Mijn lichamelijke klachten waren toegenomen, en daar is totaal geen rekening
mee gehouden.
Een keuringsarts biedt mij aan om mijn uitkering te verhogen,
als ik toegeef dat het tussen mijn oren zit.
Dit gaat trouwens over dezelfde keuringsarts als hierboven, die
mij niet keurde.
Een keuringsarts zegt op een voorzichtige manier dat het tussen
mijn oren zit. En als ik dat niet toegeef dan is dat volgens hem een luxe
die ik mij kan veroorloven, maar dan moet ik volgens hem wel de consequenties
dragen.
Later in het gesprek zegt hij dat hij nog wel mogelijkheden ziet
om mijn uitkering verhogen op het punt van psychische klachten.
Ik heb daar maar niets op geantwoord.
Een specialist in een ziekenhuis vraagt of ik problemen met het UWV
heb, en vervolgens probeert hij mij uit te sluiten van de gezondheidszorg.
Dit is mij twee keer overkomen, op ongeveer dezelfde manier.
In 1999 bij
een orthopeed en in 2008 bij
een revalidatiearts.
De dokter vraagt belangstellend of ik misschien problemen heb
met het UWV, en die heb ik. Ik vertel dan natuurlijk niet hoe
erg het is.
De ene dokter ging tegen mij zeggen dat ik maar niet meer
naar andere specialisten moest gaan en dat hij het wel eens
zou gaan zeggen tegen een neuroloog waar ik nog naar toe moest.
De andere dokter schreef een negatief rapport waarin hij
schrijft dat hij geen collega gaat lastig vallen met iemand zoals ik.
Een keuringsarts baseert zich op een belastbaarheidsprofiel dat niet bestaat.
Een belastbaarheidsprofiel is een lijst met dingen die iemand
wel of niet kan. Of iemand kan traplopen en hoeveel, of iemand
met zware dingen kan sjouwen, etc.
In 1999 werd ik gekeurd door
een keuringsarts die in
zijn rapport
steeds opnieuw schrijft dat mijn gezondheid hetzelfde is met
die dingen uit het belastbaarheidsprofiel.
Hij had mij gekeurd, en had als het ware die lijst er naast gehouden
en bij elk onderdeel geconstateerd dat het hetzelfde was gebleven.
Ik klaag hem bij het medisch tuchtcollege aan, en
het medisch tuchtcollege
is van mening dat de keuringsarts zorgvuldig is geweest omdat hij
duidelijk opschrijft dat hij zich op het belastbaarheidsprofiel baseert.
Het probleem was echter dat het belastbaarheidsprofiel helemaal niet bestond.
Dus had de keuringsarts dat allemaal zitten verzinnen. En bij het
medisch tuchtcollege had ik dat natuurlijk genoemd. De keuringsarts
had zelfs bij het medisch tuchtcollege al toegegeven dat het
belastbaarheidsprofiel niet bestond.
Ik toon bij de Rechtbank aan dat een keuringsarts niet weet waar
zij mee bezig is, en vervolgens wordt mijn uitkering verlaagd.
De keuringsartsten vonden dat ik 6 uur per dag kon werken.
Dat was niet goed vastgesteld, maar dat was steeds van elkaar overgeschreven.
Bij de Rechtbank dreef ik dat probleem op de spits door
te beweren
dat het UWV die "6 uur" niet kon onderbouwen.
Zoals verwacht kon het UWV dat bij de Rechtbank niet onderbouwen.
De rechter was het met mij eens, dat het UWV niet zorgvuldig was,
en hij geeft aan het UWV
de opdracht om mij opnieuw te keuren.
Het UWV keurt mij vervolgens helemaal niet opnieuw, maar ze schrijven
een rapport
dat ik nu niet meer 6 uur per dag zou kunnen werken, maar
dat ik voortaan 8 uur per dag zou kunnen werken.
Op die manier hoeft het UWV geen onderbouwing meer te geven, waarom ik
minder dan een hele dag (8 uur) zou kunnen werken.
Doordat mijn uitkering wordt aangevuld tot een bepaald minimum,
had het uiteindelijk voor mijn uitkering geen gevolgen.
Als ik over mijn klachten vertel, dan wordt ik nauwelijks geloofd.
Maar als een dokter zelf ziet dat ik klachten heb, dan ...
wordt ik nog minder serieus genomen.
Als ik tegen een dokter vertel over mijn nek- en rugklachten,
dan wordt dat nauwelijks serieus genomen. Als mijn klachten
ook aan mij te merken zijn, en een dokter ziet dat met zijn of haar
eigen ogen, dan wordt ik nog minder serieus genomen.
Dit is nogal vaak gebeurd. Het is zelfs zo, dat des te meer
mijn klachten oplopen en aan mij te merken zijn, des te
minder mijn klachten serieus genomen worden.
Enkele voorbeelden:
In 1993 kan ik bij een keuringsarts
nauwelijks op een stoel blijven zitten
van de pijn in mijn rug. In zijn
rapport van
3 februari 1993
legt hij dat uit alsof ik een karakterneurotische ontwikkeling
heb en alsof ik mij psychisch moeilijk staande zou kunnen houden.
In 1994 wordt ik onderzocht door een psychiater.
Aan het eind van het gesprek verstard mijn houding door
het verkrampen van mijn nek- en rugspieren. In zijn
rapport van
26 oktober 1994
legt hij dat op een krankzinnige manier uit alsof het een vroege persoonlijkheidsproblematiek zou zijn,
waarbij mijn psychoseksuele en psychosociale funktioneren niet verder gekomen
zou zijn dan mijn 2e - 3e levensjaar.
etc. etc. etc.
Laatste wijziging van deze bladzijde: juli 2010