KLAAGSCHRIFT
Aan de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag
Naam : D.
dient een klacht in tegen de arts:
Naam : Dhr. K., verzekeringsarts.
In 1999 werkzaam bij : UWV (G.), kantoor G.
Mijn klacht betreft het rapport van verzekeringsarts K., van 26 mei 1999. Er zijn drie versies van dat rapport, met dezelfde datum. In mijn klacht refereer ik aan de laatste versie (de versie van 4 bladzijden, met cursieve tekst).
Hieronder volgen mijn klachtpunten:
1 Negeren diagnose van reumatoloog S8.
In zijn rapport schrijft dokter K. op de eerste bladzijde:
Daarmee drukt hij zich sterk uit. En ook al verwijst hij naar punt 1 van het correctieschrijven, hij negeert hier de (lichamelijke) diagnose, die door specialist S. gesteld is (geen reuma, maar mechanisch), wat ik bijzonder onrechtvaardig vind.
Overigens waren er volgens mij toen nog geen internistische gegevens bij het G. bekend.
2 Psychisch versus somatisch
Naar mijn mening is er in het rapport van dokter K.
een onduidelijk geheel ontstaan.
Tijdens de keuring is gesproken over een psychiatrisch rapport. Ik heb verteld dat ik bij het gesprek met de psychiater door het oplopen van mijn lichamelijke klachten problemen kreeg, waar de psychiater een psychische duiding aan heeft gegeven. Dokter K. gaf te kennen, dat als het zo gegaan is, dat het dan niet klopt. Dat was geen onverstandige opmerking, omdat intussen die psychiater een waarschuwing van het Centraal College voor de Gezondheidszorg heeft gekregen.
Dokter K. schrijft bij "Onderzoek psyche", dat hij geen afwijkingen op het psychische vlak constateert.
Bij het kopje "Beschouwing" schrijft dokter K.:
En bij "Conclusie" schrijft hij:
Wat de eigen waarneming van dokter K. betreft, schrijft hij blijkbaar over lichamelijke problemen. In zijn rapport staat echter bij "Voorgeschiedenis" dat de verklaring die mijn klachten zou onderbouwen van psychische aard zou zijn. En door het negeren van de diagnose van reumatoloog S8., geeft hij aan dat het volledig op het psychische vlak ligt.
Ook de conclusie: "Functionele nekklachten" ligt op
het psychische vlak. Volgen mij heeft het woord "Functionele"
hier de betekenis van psychisch.
Die conclusie kan volgens mij niet door zijn eigen bevindingen
gedragen worden.
3 Belastbaarheidsprofiel bestaat niet
Dokter K. schrijft meermaals over 'belastbaarheidspatroon',
en 'belastbaarheidsprofiel'. Tot op heden is iets dergelijks
door het G. niet opgesteld.
Bij zijn conclusie schrijft dokter K.:
Daarmee geeft hij aan, dat ook de 'belastbaarheid'
(als algemene term) uit het niet bestaande
'belastbaarheidsprofiel' voortkomt.
Om op dergelijke gronden een conclusie te trekken
vind ik onrechtvaardig.
4 Negeren wijziging van gezondheidstoestand
in februari 1997
Tot en met februari 1997 werkte ik halve dagen,
wat na februari 1997, door toename van mijn klachten,
niet meer mogelijk was. In zijn rapportage lijkt
dokter K. dit te negeren.
Dokter k. verwijst naar vorige rapportages, en noemt daarbij de datums:
Dat betreft rapportages, toen ik nog halve dagen werkte. Verder schrijft hij bij Anamnese:
De hoorzitting was na februari 1997, en dus na de toename van mijn klachten. Door op deze wijze aan de rapportages te refereren, wordt de indruk gewekt, dat ik zelf van mening ben, dat ik nog halve dagen zou kunnen werken.
Verder schrijft dokter K. bij zijn conclusie:
Ik had echter mijn gezondheid beschadigd, door tot het uiterste te proberen om halve dagen werken vol te houden. Dat dokter K. opschrijft, dat ik duurzaam 6 uur per dag kan werken, vind ik dan ook onjuist en kwetsend.
5 Verslag geeft onjuiste weergave van het gesprek
Volgens het rapport van dokter K., zou hij tijdens
het gesprek van de keuring gezegd hebben, dat ik zes uur per dag
zou kunnen werken. Ook schrijft hij in zijn rapport, dat daar
niet van afgeweken kan worden. Daarmee geeft hij
een onjuiste weergave van het gesprek.
Hij heeft namelijk helemaal niet gezegd, dat ik zes uur per dag zou
kunnen of moeten werken. Hij heeft ook geen ander aantal uren genoemd.
En tijdens het gesprek gaf hij aan, dat hij zou proberen om het
zo aan de arbeidsdeskundige voor te leggen, dat het percentage
wél gewijzigd kon worden.
Zie daarvoor de beide verklaringen van mij en van mijn begeleider.
Deze bevinden zich in de bijlagen, en zijn beide van 21 september 2002.
6 Overige opmerkingen
Alle hierboven genoemde problemen hebben exact één oorzaak:
het rapport is namelijk een mengeling tussen enerzijds wat dokter K.
zei tijdens de keuring, en anderzijds de stellingen die
het G. al jaren hanteert.
De medische keuring door dokter K. was de eerste keuring, waarbij ik iemand als getuige had meegenomen. Ik dacht dat ik daarmee problemen kon voorkomen. Dat bleek echter niet zo te zijn, en daarom heb ik zo volhoudend geprobeerd om dingen te laten wijzigen, zoals uit de bijlagen blijkt. Dat heeft echter weinig opgeleverd, behalve dan de irritatie van het G..
Hierbij geef ik dokter K. toestemming om alle stukken uit het dossier bij het G. naar eigen goeddunken te gebruiken, inclusief de stukken die lopende deze procedure daar nog aan toegevoegd worden.
Indien mogelijk, zou ik deze klacht graag schriftelijk in behandeling laten nemen.
Ik verwijt de aangeklaagde, kort samengevat, dat hij, als verzekeringsarts, naar mijn mening, een tegenstrijdig en onzorgvuldig rapport heeft geschreven.
Datum 3 februari 2003
Naam D.
Handtekening ###
Machtiging
Namen en adressen van de personen en instellingen die informatie kunnen verstrekken, en de van belang zijnde consultdata.
UWV G., kantoor G.
G.
en ook:
Arrondissementsrechtbank te M..
Arrondissementsrechtbank te R..
Centrale Raad van Beroep te U..
Datum van keuring door verzekeringsarts K.: 20 mei 1999
De ondergetekende machtigt de door de voorzitter van het college om inlichtingen gevraagde personen en/of instellingen deze te verstrekken.
Datum : 3 februari 2003
Naam : dhr. D.
Adres : ###
Geboortedatum : ###
Handtekening : ###
Bijlagen overzicht
De bijlagen zijn in twee delen gesplitst. Na de scheidingspagina komen stukken, die minder van belang zijn, maar die ik voor de volledigheid heb toegevoegd.
Datum Beschrijving
23 augustus 1993 rapport van reumatoloog S8..
15 november 1993 brief van reumatoloog S8..
18 decenber 1997 brief van reumatoloog S8..
26 mei 1999 Rapportage algemeen, 4 bladzijden.
14 juni 1999 Verzoek voor correctie van rapportage.
15 juli 1999 Brief van verzekeringsarts, over correctie.
22 juli 1999 Brief aan verzekeringsarts, over correctie.
26 juli 1999 Brief van verzekeringsarts, over correctie, met bijlage:
26 mei 1999 Rapportage algemeen, 4 bladzijden met cursieve tekst.
21 september 2002 Eigen verklaring over medische keuring.
21 september 2002 Verklaring over medische keuring van mijn begeleider.
----------------gele scheidingspagina---------------------
(mei 1999) Persoonlijke vragenlijst medisch /arbeidskundig.
26 mei 1999 Rapportage algemeen, 2 bladzijden.
28 mei 1999 Geleideformulier Claimbeoordeling.
5 augustus 1999 Brief aan Registratiekamer, over correctie (datum moet 6 sep zijn).
4 oktober 1999 Brief van Registratiekamer.
25 oktober 1999 Brief van verzekeringsarts aan Registratiekamer.
29 oktober 1999 Brief van Registratiekamer, bemiddeling beëindigd.
29 oktober 1999 Brief van Registratiekamer aan D., bemiddeling beëindigd.
19 november 1999 Brief van D., over correctie.
17 januari 2000 Reactie, over correctie, inzage, etc.
20 mei 2000 Klacht tegen verzekeringsarts.
29 juni 2000 Reactie op klacht tegen verzekeringsarts van 20 mei.
14 juli 2000 Reactie op brieven van 23 juni en 30 juni.
23 augustus 2000 Verzoek voor correctie.
25 augustus 2000 Reactie op verzoek voor correctie.
8 september 2000 Herhaalde verzoek voor correctie.
12 september 2000 Reactie op herhaalde verzoek voor correctie.
18 september 2000 Formele klacht over correctie.
29 september 2000 Herhaling formele klacht, aangetekend.
4 oktober 2000 Reactie op herhaalde formele klacht.
13 februari 2001 Brief van directeur.
3 maart 2001 Brief aan Nationale Ombudsman.
17 april 2001 Reactie van Nationale Ombudsman.
24 april 2001 Tweede brief aan Nationale Ombudsman.
18 mei 2001 Tweede reactie van Nationale Ombudsman.
19 november 2002 Uitspraak Centrale Raad van Beroep.
Ik kreeg het verzoek van de advocaat van keuringsarts K., om een machtiging te tekenen:
PERSOONLIJK/VERTROUWELIJK
De heer D.
Utrecht, 12 maart 2003
Inzake K./D.
Ds.nr. 34.618
Geachte heer D.,
Tot mij heeft zich gewend de heer K. te M. met het verzoek zijn belangen te willen behartigen in een door u ingediende klacht.
Ik verzoek u vriendelijk namens cliënt om bijgaande machtiging te willen ondertekenen, opdat uw dossier bij het UWV G., kantoor G., kan worden opgevraagd. Deze machtiging is noodzakelijk, omdat u bij het klaagschrift een machtiging ondertekend heeft met behulp waarvan u alleen de voorzitter van het Tuchtcollege in staat heeft gesteld om deze inlichtingen te vergaren, en dus niet cliënt.
Ik zie de ondertekende machtiging graag zo spoedig mogelijk tegemoet.
Met vriendelijke groet,
W.
MACHTIGING
Ondergetekende,
de heer D., wonende te ### aan de ###, geboren op ###, machtigt hierbij mr. W. en de heer K. om het UWV G., kantoor G., ###, inlichtingen te verstrekken omtrent alle gegevens die aan UWV G. terzake van hem bekend zijn.
Datum: 13 maart 2003
Handtekening: ###
De volgende dag stuurde ik de getekende machtiging per fax terug met een begeleidende brief.
De advocaat van de keuringsarts stuurde onderstaande brief naar de uitvoeringsinstelling.
###advocaten
UWV G.
G.
13 maart 2003
Inzake : K./D.
Ds.nr. : 34.618/EJW/io
Uw ref.: Registratienummer: ###
Sofi-nummer ###
Geachte heer/mevrouw,
Tot mij heeft zich gewend de heer K. te M. die destijds als verzekeringsarts in opleiding bij u werkzaam is geweest. Tegen mijn cliënt is door de heer D. een klacht ingediend bij het Regionaal Medisch Tuchtcollege te G.
Vriendelijk verzoek ik u namens cliënt om mij met behulp van bijgaande machtiging in fotokopie toe te zenden het integrale dossier dat u met betrekking tot betrokkene onder u heeft.
Mag ik met het oog op het schrijven van een verweerschrift de gevraagde bescheiden spoedig van u ontvangen?
In afwachting.
Met vriendelijke groet,
W.
Door middel van een fax stuurt de advocaat van de keuringsarts mijn machtiging van 13 maart 2003 naar het UWV:
###advocaten
UWV G.
T.a.v. de heer B.
G.
Per telefax: ###
U., 18 maart 2003
Inzake : K./D.
Ds.nr. : 34.618/EJW/io
Uw ref. : Registratienummer: ###
Sofi-nummer: ###
Geachte heer B.,
In fotokopie zend ik u alsnog de machtiging*.
Met vriendelijke groet,
W.
* Bijlage: 1
Vervolgens kreeg ik van de UWV ook nog eens een verzoek om een machtiging te ondertekeken.
UWV G.
Staf ag
De heer D.
Contactpersoon V.
Datum 26 maart 2003
Betreft: Machtiging
Geachte heer D.,
Hierbij ontvangt u een origineel machtigingsformulier alsmede een kopie.
Ik verzoek u vriendelijk het origineel te ondertekenen en aan mij te retourneren middels bijgaande antwoordenveloppe. De kopie kunt u behouden.
Bij voorbaat dank voor uw medewerking.
Hoogachtend,
V.,
Staf verzekeringsarts
Bijlage:
1 originele machtiging
1 kopie machtiging
1 antwoordenveloppe (geen postzegel nodig)
UWV G.
MACHTIGING
De ondergetekende,
D., geboren op ###, sofinummer ###, wonende aan de
### te ### machtigt hierbij het Uitvoeringsinstituut
Werknemersverzekeringen UWV, alsmede mevrouw V.,
als stafverzekeringsarts in
dienst van genoemd UWV, beide te dezer zake
kantoorhoudende te G., (postadres: Postbus ###)
om aan mr. W., advocaat te U. en aan de heer K., arts te M.
die stukken uit zijn medisch dossier te verstrekken
die betrekking hebben op de door hem
tegen de heer K. voornoemd bij het Regionaal Medisch Tuchtcollege
te 's-Gravenhage ingediende klacht.
Aldus ondertekend te ### Op 27 maart 2003
D. ###
Blijkbaar heeft de advocaat van de keuringsarts
het belastbaarheidsprofiel bij het UWV opgevraagd.
Hieronder staat een faxbericht (en controlestrook)
waarin wordt verteld dat het niet bestaat.
Het formulier is van Kantoor R., maar het is wel
verstuurd vanaf Kantoor G., die mijn dossier heeft.
UWV G.
UITVOERING WERKNEMERSVERZEKERINGEN
Kantoor R.
Faxbericht
Datum 03-04-2003
Aantal pagina's inclusief dit blad 2.
Aan Dhr W.
Naam
Bedrijf/afdeling
Plaats
Faxnummer ###
Betreft Dhr D. / Belastbaarheidsprofiel 1994
Van UWV/G.
Naam W.
Afdeling
Telefoonnummer ###
Faxnummer
Opmerking Er is geen belastbaarheidsprofiel van 1994
Bijgaand rapportages 1992, 1993
Indien u het hierboven genoemde aantal pagina's niet hebt ontvangen, wilt u dan zo spoedig mogelijk beden?
COMMUNICATIEJOURNAAL
DATUM 03-04-2003
TIJD 09:12
P.01
MODE = VANUIT GEHEUGEN ZENDEN
BEGIN=03-04 09:10
EINDE=03-04 09:12
BER.NR.= 045
FAXNR. 001
COMM. OK
KIESCODE
NAAM TELEFOONNUMMER ###
PAG.(S) 002/002
TIJDSDUUR 00:00'37"
-UWV ZW
Op 8 april 2003 is de brief geschreven waarmee een stapel papier naar de advocaat van keuringsarts K. gefaxt werd.
UWV gak
Kantoor Goes
Faxbericht
Datum 8-4-2003
Aantal pagina's inclusief dit blad 81
NB MOET ZIJN +5 = 86
• Aan
Naam de heer W3
Bedrijf/afdeling Advocaat
Plaats
Faxnummer ###
Betreft De heer D.
• Van UWV GAK
Naam V5.
Bedrijf/afdeling
Telefoonnummer ###
Faxnummer ###
Opmerking
De volgende dag is de fax verstuurd. Op het voorblad staan bovenaan de gegevens van de fax. Het voorblad is zonder de tekst "NB MOET ZIJN +5 = 86".
***** - COMMUNICATIEJOURNAAL - ***** DATUM 09-04-2003 ***** TIJD 10:27 *** P.01
MODE = VANUIT GEHEUGEN ZENDEN
BER.NR.= 066
BEGIN=09-04 10:20
EINDE=09-04 10:27
FAXNR. 001
COMM. Ok
KIESCODE
NAAM TELEFOONNUMMER ###
PAG.(S) 023/023
TIJDSDUUR 00:06'19'
-AFD ARBEIDSGESCHIKTHEID -
***** - - ***** - +31 ###- *****
Blijkbaar is er daarna een nieuwe fax gestuurd. Hieronder staan opnieuw de gegevens van de fax. Bij deze versie staat de tekst "NB MOET ZIJN +5 = 86" er wel bij op het voorblad.
***** - COMMUNICATIEJOURNAAL - ***** DATUM 09-04-2003 ***** TIJD 11:01 *** P.01
MODE = VANUIT GEHEUGEN ZENDEN
BER.NR.= 073
BEGIN=09-04 10:54
EINDE=09-04 11:01
FAXNR. 001
COMM. Ok
KIESCODE
NAAM TELEFOONNUMMER ###
PAG.(S) 019/019
TIJDSDUUR 00:05'09'
-AFD ARBEIDSGESCHIKTHEID -
***** - - ***** - +31 ###- *****
Onderstaand papier zat in mijn dossier. Ik vermoed dat het bij deze procedure hoort.
AAWFRM6200B-7
10-Sep-2003 08:15:31
IDENTIFICEER DOSSIER
kapdatum : 03-10-03 naw persoon: DHR. D.
fiscaal nr: ###
reg nummer: ###*
sel type dk omschrijving func locatie - omschrijving / ing.datum 1 BETAAL 7 - 407 Archief 25-09-01 2 CLAIM 7 Staf AG 455 vrl va V5. 07-04-03 3 MEDISCH 7 Staf Ag 455 vrl va V5. 07-04-03
volgende transactie: 6200 / ### /
Sylvia
Wil je deze stukken in het medische dossier voegen
Bvd
Barbara
De volgende brief is een brief van de UWV aan keuringsarts K., waarvan ik een kopie ontving.
UWV G.
De weledelgeleerde heer
K.
Contactpersoon Mevr. V.
Datum 9 april 2003
Betreft: Uw verzoek om aanvullende stukken
Geachte heer K.,
Naar aanleiding van uw verzoek om stukken uit het medisch (en als basisdossier ook claimdossier) toegezonden te krijgen, die betrekking hebben op de door de heer D. ingediende klacht bij het Regionaal medisch Tuchtcollege, hebben wij u op donderdag 3 april de rapportages van u, en de rapportages waarnaar u verwees (voor zover aanwezig), de bijbehorende correspondentie en uw briefwisseling met de registratiekamer gefaxt. U heeft ons kantoor op dinsdag 8 april bezocht en na inzage in het dossier nog een paar stukken aangekruist waarvan u een kopie wilde hebben.
Ik heb de stukken bekeken op relevantie, hetgeen uiteraard wat moeilijk is daar wij niet op de hoogte zijn van de tegen u ingediende klacht. Ik ben er vanuit gaande dat deze op enigerlei wijze betrekking heeft op de door u uitvoerde beoordeling d.d 26 mei 1999 en de daarna gevoerde correspondentie met betrekking tot correctierecht.
Ik heb u daarom alsnog de volgende stukken in kopie doen toekomen:
• Bezwaarschrift tegen beslissing 14 juli 2002;
• Kopie faxbericht waarin wij uw advocaat een aantal rapportages hebben gefaxt;
• Beslissing op bezwaar 31 januari 2000;
• Beschikking 15 april 1999 met bezwaarschrift;
• Brief van de heer D. aan arrondissementsrechtbank M. 24 november 1993;
• Eigen verhaal van de heer D. 20 november 1998;
• Brief van mevrouw V. aan de heer D. 13 september 1999;
• Brief van de heer K. aan G. 19 november 1992;
• Reactie van de heer P. op klacht de heer D. 7 februari 1995;
• Verslag psychologisch onderzoek de heer K., 1992;
• verzoek correctierecht: verwijdering gegevens;
• bezwaarschrift tegen beslissing 31 mei 1999 van de heer D.;
• Verzoek tot correctie van rapportage 14 juni 1999;
• Bespreking rapport van de heer E. door de heer D. 12 mei 1999;
• Ingevulde persoonlijke vragenlijst;
• Brief van de heer D. opname in I. ziekenhuis;
• Motivering hersteldverklaring 26 mei 1997;
• Hersteldverklaring 26 mei 1999;
• Brief van de heer L. naar aanleiding van hersteldmelding 27 maart 1997;
• Hersteldmelding 1 april 1997;
• Nogmaals hersteldmelding 1 april 1997;
• Rapportage de heer L. 20 juni 1996;
• Kort verslag de heer P. 7 februari 1995;
• Reactie van de heer P. op rapport de heer E. aan arrondissementsrechtbank
te M. 23 december 1994;
• Brief van de heer D. 09 augustus 1993;
• Brief de heer G. 6 december 1994;
• Rapportage de heer E. 26 oktober 1994.
De volgende stukken leken mij echter niet relevant voor de zaak die speelt en heb ik u daarom niet in kopie doen toekomen.
• Openbaar rapport van de ombudsman over twee ingediende klachten,
namelijk het niet ingaan op een ingediende klacht en een brief waarin
wordt medegedeeld dat niet automatisch een inhoudelijk onderzoek
zal worden gestart naar aanleiding van een door klager ingediende klacht;
• Verslag van bandopname van een hoorzitting 15 januari 2001
waarin alleen maar gesproken wordt in hoeverre de bezwaar verzekeringsarts
onafhankelijk is en het niet tot een daadwerkelijke hoorzitting komt;
• Klacht tegen bezwaar verzekeringsarts;
• Brief ten aanzien van repliek de heer L. in casu en tuchtzaak tegen hem.
Hoogachtend,
V.,
Stafverzekeringsarts
Bijlagen: 83 pagina's
Brief i.a.a. De heer D. (exclusief bijlagen).
Hieronder volgt de begeleidende brief met het verweerschrift van de keuringsarts.
REGIONAAL MEDISCH TUCHTCOLLEGE
De heer D.
Ons kenmerk: 2003 T 20
Onderwerp : D./K.
's-Gravenhage, 17 april 2003
Geachte heer D.,
Bijgaand ontvangt U kopie van het verweerschrift van de arts. Ik stel U in de gelegenheid hierop Uwerzijds nog schriftelijk te reageren. Uw repliek zie ik gaarne binnen één maand na heden, zo mogelijk gaarne in zevenvoud, tegemoet.
Hoogachtend,
Mr ###
secretaris
###ADVOCATEN
VERWEERSCHRIFT
Kenmerk: 2003 T 20
Aan het Regionaal Medisch Tuchtcollege
te 's Gravenhage
Geeft te kennen:
Inleiding
1. De heer K., wonende te ###, destijds verzekeringsarts-in-opleiding, hierna te noemen verweerder, te dezer zake woonplaats kiezende te ### aan de ### (###) ten kantore van de advocaat mr. W. die in deze procedure als zijn gemachtigde zal optreden en als zodanig dit verweerschrift zal ondertekenen.
2. Verweerder heeft kennis genomen van de klacht die door de heer D., wonende te ###, hierna te noemen klager, is ingediend.
De klacht
3. De tegen verweerder in zijn hoedanigheid van verzekeringsarts ingediende klacht heeft betrekking op een rapportage die verweerder heeft opgesteld op 26 mei 1999. Van deze rapportage zijn drie versies in omloop. De klacht is uitsluitend gericht tegen de laatste versie waarvan hierbij fotokopie wordt overgelegd als productie 1.
4. De tegen verweerder ingediende klacht bestaat uit vijf onderdelen:
A. verweerder heeft de diagnose van reumatoloog S8.
genegeerd;
B. verweerder heeft onduidelijkheid doen ontstaan tussen psychische en
somatische klachten;
C. verweerder ten onrechte is afgegaan op de belastbaarheid van 1994;
D. verweerder onvoldoende aandacht heeft besteed aan de door klager
gestelde wijzigingen van zijn gezondheidstoestand in februari 1997;
E. het verslag is een onjuiste weergave van de keuring.
Standpunt van verweerder
5. Verweerder is van mening dat ten onrechte klacht tegen hem is ingediend, omdat niet kan worden aangenomen dat er sprake is van handelen of nalaten zoals bedoeld in artikel 47 lid 1 aanhef onder a of b van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG).
Feiten en achtergronden
6. Verweerder, sinds 19 november 1993 arts, is als verzekeringsarts in opleiding bij G., kantoor G., werkzaam geweest van 1 mei 1999 tot 1 september 2002. Verweerder werd gedurende de opleiding begeleid door de heer M., als verzekeringsarts verbonden aan het G. en door de heer K4., destijds stafverzekeringsarts. De supervisor van verweerder was mevrouw V., eveneens staf-verzekeringsarts.
7. Op 20 mei 1999 heeft verweerder klager gekeurd in verband met de herziening van een aan hem toegekende WAO-uitkering. Ter voorbereiding op het onderzoek had verweerder de tijd genomen om het hem reeds ter beschikking staande dossier te bestuderen. Verweerder nam bij klager de anamnese af en verrichte vervolgens een lichamelijk onderzoek.
8. Verweerder constateerde dat bij klager sprake was van het onvermogen door ziekte / gebrek om gedurende hele dagen, dat wil zeggen gedurende acht uur per dag, te werken. Voorts was verweerder van oordeel dat er op grond van de bevindingen geen aanleiding bestond om af te wijken van de eerder in 1994 geduide belastbaarheid van klager. Dat bracht verweerder tot het oordeel dat klager in staat was om zes uur per dag te kunnen werken.
9. Fotokopie van de rapporten van 16 december 1992, 3 februari 1993, 27 mei 1993 en 20 juni 1996 legt verweerder hierbij over als produkties 2 tot en met 5. Tevens brengt verweerder hierbij als produktie 6 in het geding de psychiatrische expertise van 26 oktober 1994 die door E., psychiater te M., is verricht in opdracht van de Rechtbank M..
NB: Een eerder beroep van klager tegen beslissingen van het G. van respectievelijk 19 oktober 1993 en 19 april 1994 werden door de rechtbank M. ongegrond verklaard door onder meer een verwijzing naar het rapport van psychiater E. die tot het oordeel kwam dat het G. er bij de toen aan de orde zijnde besluiten er terecht van uit was gegaan dat klager gedurende 6 uur per dag zijn werk van computerprogrammeur kon verrichten.
9. De in concept opgestelde rapportage van 26 mei 1999 heeft verweerder vervolgens - zoals tijdens de opleiding gebruikelijk - besproken met zijn begeleiders, waarna deze werd verzonden.
10. Op 14 juni 1999 heeft klager vervolgens zeven opmerkingen gemaakt naar aanleiding van deze rapportage. Bij brief van 15 juli 1999 heeft verweerder klager medegedeeld dat de aangegeven wijzigingen in diens dossier waren opgenomen. Bij brief van 22 juli 1999 heeft klager aangegeven daarmee geen genoegen te nemen, naar aanleiding waarvan verweerder bij brief van 26 juli 1999 in kopie de gecorrigeerde Rapportage Algemeen aan klager toezond.
11. Bij brief van 5 augustus 1999 heeft klager zich vervolgens gewend tot de Registratiekamer omdat hij geen genoegen nam met de brief van verweerder. Verweerder heeft de Registratiekamer bij brief van 4 oktober 1999 aangegeven dat de medische gegevens die in de rapportage van 26 mei 1999 waren opgenomen overeenkomstig de werkelijkheid waren, waarna de Registratiekamer klager heeft laten weten de zaak hiermee verder als afgedaan te beschouwen.
12. Klager heeft zich vervolgens bij brief van 19 november 1999 opnieuw tot verweerder gewend, naar aanleiding waarvan mevrouw V. bij brief van 17 januari 2000 heeft bericht zijn brief te zullen toevoegen aan het dossier. Ook daarmee nam klager evenwel geen genoegen door zich bij brief van 20 mei 2000 tot de heer M., districtsdirecteur van G. B.V., te richten met (opnieuw) een vijftal klachten. Die hadden wederom betrekking op de Rapportage Algemeen van 26 mei 1999. De brief van klager is beantwoord op 29 juni 2000. Daarna volgden brieven van klager aan G. B.V. van respectievelijk 23 augustus 2000, 8 september 2000, 18 september 2000 en 29 september 2000, waarna klager zich richtte tot de Nationale Ombudsman bij brief van 3 maart 2000. De uitkomst van het onderzoek dat de Nationale Ombudsman is aan verweerder niet bekend.
Beoordeling van de klacht
13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij heeft gehandeld met inachtneming van de zorg die van hem als verzekeringsarts in opleiding mag worden verwacht.
14. Verweerder stelt vast dat de klacht énkel en alleen gericht is tegen de inhoud van de bestreden versie van de door hem opgestelde rapportage van 26 mei 1999. Overigens meent verweerder te hebben gehandeld overeenkomstig de eisen die aan hem op grond van zijn beroep en individuele deskundigheid mogen worden gesteld. Zo heeft verweerder zélf een onderzoek verricht middels een oproep van klager, welk onderzoek in de verzekeringsgeneeskunde heeft te gelden als de meest volledige en adequate methode om een verzekeringsgeneeskundige beoordeling te kunnen doen.
15. In reactie op de vijf formele klachtonderdelen merkt verweerder voorts het volgende op:
Ad a
16. Ten tijde van het medisch onderzoek dat plaatsvond op 20 mei 1999 was klager ingedeeld in de WAO-klasse van 15-25%. Verweerder heeft in de bestreden rapportage dan ook verwezen naar de eerdere rapportages van 26 december 1992, 3 februari 1993, 27 mei 1993 en 20 juni 1996 die van het dossier onderdeel uitmaakten.
NB: Reeds in 1993 was klager het niet met de vastgestelde uitkering eens en ging in beroep, waarbij hij uiteindelijk door de rechtbank M. in het ongelijk is gesteld.
17. Verweerder heeft in de bestreden rapportage verslag gedaan van de brief van 23 augustus 1993 van reumatoloog de heer S. te V.. S. concludeert dat bij klager sprake is van chronisch recidiverende nek-en rugklachten door spierpijnen ten gevolge van scoliose en recidiverende blokkeringen op diverse niveaus. Het klachtenbeeld acht S. voornamelijk mechanisch bepaald door een niet goede houding. Daarbij achtte hij klager nerveus gespannen. Dat komt de spierklachten niet ten goede. Het probleem is dan ook - naar het oordeel van de reumatoloog - niet zozeer een reumatische aandoening, dan wel een mechanisch-functionele stoornis.
18. Anders dan klager betoogt, heeft verweerder in de bestreden rapportage de diagnose van de reumatoloog niet genegeerd. Verweerder heeft een vertaalslag gemaakt van de door de curatieve sector verstrekte medische informatie naar de vereisten voor toekenning van een uitkering krachtens de sociale zekerheidswetgeving.
NB: De begeleider van verweerder, de heer K., was het met de inhoud van de bestreden rapportage overigens geheel eens.
19. De klacht mist overigens feitelijke grondslag omdat, zoals klager zelf al heeft aangegeven, de bestreden rapportage met zoveel woorden verwijst naar punt 1 van de brief van 14 juni 1999 van klager, aangeduid als "het correctieschrijven".
Ad b
20. De bestreden rapportage laat geen onduidelijkheid bestaan tussen de psychische en somatische klachten van klager. Integendeel. Overeenkomstig een beschikbare medisch-psychiatrische expertise achtte verweerder klager in staat om gedurende zes uur per dag - in plaats van 8 uur per dag - het eigen werk als programmeur te kunnen verrichten. Uit de expertise bleek verweerder dat de door de psychiater gevonden verklaring ter onderbouwing van zijn klachten zijn oorsprong vond in een emotionele ontwikkelingsfixatie die resulteerde in emotionele stagnatie, contactproblemen, rigiditeit, koppigheid en neiging tot somatisatie van externe stress.
21. Verweerder mocht bij het opstellen van de bestreden rapportage en het vormen van zijn eigen oordeel afgaan op de juistheid van de inhoud van deze expertise. Er bestond voor verweerder in ieder geval geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
NB: Klager heeft gesteld dat de psychiater een waarschuwing van het Centraal College voor de Gezondheidszorg heeft gekregen. Verweerder is daaromtrent niets bekend, zodat verweerder ook niet kan nagaan of die tuchtmaatregel van doen heeft met het geneeskundig handelen van de psychiater in deze zaak.
22. Verweerder is tegemoet gekomen aan het verzoek van klager tot aanpassing van de oorspronkelijke passage, waarom klager bij brief van 14 juni 1999 verzocht, zodat ook dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mist. Daaraan doet naar het oordeel van verweerder niet af het enkele feit dat niet is voldaan aan het daarbij komende verzoek van klager om op te nemen de gewenste zinsnede:
"De psychiater heeft vastgesteld dat betrokkene in zijn psychosociale en psychosexuele functioneren niet verder is gekomen dan het niveau van een 2 à 3 - jarig kind."
23. Het onderdeel kan overigens niet tot gegrondheid van de ingediende klacht leiden, omdat verweerder in de "Conclusie" van de bestreden rapportage heeft aangegeven dat bij het onderzoek "afwijkende bevindingen werden vastgesteld die een rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek zijn".
Ad c
24. In 1993 werd klager geschikt geacht voor zes uur werken per dag in zijn eigen werk. Verweerder heeft in de beschouwing beschreven dat het gaat om de beoordeling of klager in staat moest worden geacht in 1999 zes uur in eigen werk te kunnen functioneren. Dat is de belastbaarheid die verweerder op dat moment ook voor klager mogelijk achtte, en waarop verweerder klager toen heeft geschat. Dat een "echt" belastbaarheidspatroon uit 1994 ontbrak doet aan de verdedigbaarheid van dat standpunt van verweerder op zichzelf niet af. Verweerder heeft namelijk afgewogen of klager, gezien zijn klachten en bevindingen, bij onderzoek naar zijn oordeel in staat moest worden geacht zes uur programmeurwerk te kunnen verrichten. Verweerder heeft in zijn oordeel betrokken dat er geen relevante wijzigingen waren opgetreden in de destijds vastgestelde belastbaarheid van klager.
25. Met andere woorden heeft verweerder in de beoordeling de beperkingen van klager getoetst aan de belastbaarheid zoals deze bestond ten tijde van het onderzoek dat plaatsvond op 20 mei 1999. Deze zijn vervolgens verwerkt in de bestreden rapportage. Daarmee heeft verweerder voldaan aan hetgeen van hem als verzekeringsarts in opleiding mag worden verwacht.
Ad d
26. Verweerder heeft in de eerste versie van de rapportage van 26 mei 1999 geschreven als volgt:
"Belanghebbende is van mening dat het klachtenpatroon sinds de hoorzitting van september 1997 niet is veranderd".
27. Op verzoek van klager bij brief van 14 juni - ad 3 - heeft verweerder daaraan toegevoegd als volgt:
"Belanghebbende is van mening dat het klachtenpatroon sinds de hoorzitting van september 1997 niet veel (punt 3 correctieschrijven) is veranderd".
28. Verweerder is dus geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van klager, zodat ook dit klachtonderdeel niet gegrond is. Overigens is naar het oordeel van verweerder niet juist het betoog van klager dat door te refereren aan de rapportages van 16 december 1992, 3 februari 1993, 27 mei 1993 en 20 juni 1996 de indruk wordt gewekt dat klager zélf van mening is dat hij nog halve dagen zou kunnen werken. Immers miskent klager daarmee dat onder het Hoofdstuk "Visie van belanghebbende" letterlijk is opgenomen als volgt:
"Belanghebbende acht zich niet in staat om halve dagen te werken, omdat hij nog steeds klachten meent te hebben (punt 5 correctieschrijven)".
29. Dat verweerder heeft gesteld dat klager de huidige mogelijkheden duurzaam kan benutten is juist. Immers, in verzekeringsgeneeskundige terminologie is gebruikelijk de urenbeperkingen als zodanig aan te duiden. Dat is de zogenaamde "restcapaciteit" van klager, aldus een wettelijke term die het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (LISV) hanteert en ook overigens in de kring van verzekeringsartsen gebruikelijk is.
Ad e
30. Uit de bestreden rapportage blijkt niét dat verweerder aan klager heeft medegedeeld dat hij zes uur per dag zou kunnen werken. In die zin ook merkt klager terecht op dat "dat niet gezegd is", zodat dit klachtonderdeel reeds daarom ongegrond dient te worden verklaard.
31. Ook overigens is dit klachtonderdeel onbegrijpelijk omdat G. B.V. geheel is tegemoet gekomen aan de wens die klager heeft geuit op 14 juni 1999 onder punt 6, waarbij de gewraakte zinsnede namelijk in de door klager gewenste zin is aangepast.
32. Het klachtonderdeel ziet verder er aan voorbij dat het tuchtrecht uit gaat van een persoonlijke verwijtbaarheid van de hulpverlener, zodat beweerdelijk handelen of nalaten van een arbeidsdeskundige in deze tuchtprocedure aan verweerder niet valt tegen te werpen. Daargelaten dat het wettelijk tuchtrecht niet ziet op beoordeling van arbeidsdeskundig handelen.
33. In aansluiting en ter aanvulling op het voorgaande wijst verweerder erop dat het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in zijn beslissing van 15 mei 2001 (Medisch Contact 2001, p. 1429/1430) met zoveel woorden heeft aangegeven welke eisen aan een uitgebracht rapport uit oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid redelijkerwijs mogen en moeten worden gesteld. De uitspraak is bevestigd bij beslissing van 4 december 2001 (Medisch Contact 2002, p. 343/344).
34. Meer specifiek blijkt uit de beide beslissingen dat naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg tot die eisen behoort:
35. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bestreden versie van de rapportage van 26 mei 1999 de door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg aangelegde toets kan doorstaan. Dat geldt temeer ook daar klager na gereed komen van de eerste versie van dit rapport uitgebreid de gelegenheid te baat heeft genomen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen welke, voor zover relevant, in de versie waartegen de klacht is gericht zijn verwerkt.
36. Het enkele feit dat de Centrale Raad van Beroep bij beslissing van 19 november 2002 het beroep van klager tegen een beslissing van G. B.V. gegrond heeft verklaard, maakt dat niet anders vanwege twee redenen.
37. Allereerst spitsen de overwegingen van de Centrale Raad van Beroep spitsen zich toe op de (naar haar oordeel) onjuist aangelegde maatstaf door de schatting te baseren op geschiktheid voor een gedeelte van de maatman-arbeid. Met andere woorden is de beslissing van de Centrale Raad van Beroep geënt op de arbeidsdeskundige kant van de onderhavige schatting die in deze tuchtprocedure niet het onderwerp van geschil is.
38. Daarnaast maakt het énkele feit dat de Centrale Raad van Beroep niet aangewezen acht om een vergelijking van de belastbaarheid van klager in 1999 en in 1994 op basis van een medische oordeelsvorming omtrent zijn gezondheidstoestand in 1994 nog niet, dat dus is aan te nemen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klager heeft gehandeld.
Conclusie
39. Samengevat is verweerder van mening dat de tegen hem ingediende klacht (kennelijk) ongegrond, dan wel van onvoldoende gewicht is en als zodanig dient te worden afgewezen.
REDENEN WAAROM:
Het Regionaal Medisch Tuchtcollege te 's-Gravenhage verzoekt de tegen hem ingediende klacht als (kennelijk) ongegrond, dan wel als van onvoldoende gewicht af te wijzen.
U., 10 april 2003
Advocaat - gemachtigde
Het bovenstaande verweerschrift van 13 bladzijden bevat een aantal leugens
en verdraaïngen.
In het verweerschrift hierboven komt punt "9" twee keer voor.
Ik neem contact op met een advocaat, en vraag het tuchtcollege om uitstel:
Aan: Regionaal Medisch Tuchtcollege
t.a.v. Mr ###, secretaris
Per Fax: ###
1 mei 2003
Uw kenmerk : 2003 T 20
Onderwerp : D./K.
Betreft : verzoek voor uitstel
Weledelgestrenge heer ###,
Graag zou ik vier weken uitstel willen, voor het indienen van mijn repliek.
Ik wil het dossier namelijk aan een advocaat voorleggen.
Zou u de termijn met vier weken willen verlengen? Bij voorbaat mijn dank.
Hoogachtend,
D.
REGIONAAL MEDISCH TUCHTCOLLEGE
De heer D.
Ons kenmerk: 2003 T 20
Onderwerp : D./K.
's-Gravenhage, 1 mei 2003
Geachte heer D.,
Naar aanleiding van Uw faxbrief d.d. 1 mei 2003 bericht ik U dat ik Uw repliek thans gaarne uiterlijk 17 juni a.s. tegemoet zie. Verder uitstel wordt in beginsel niet verleend.
Hoogachtend,
P.O. ###
Mr ###
secretaris
Mijn advocaat schreef de volgende brief (de repliek):
Regionaal Medisch Tuchtcollege
T.a.v. Mr. ###, secretaris
R., 11 juni 2003
Betreft : medisch geschil
Uw kenmerk : 2003 T 20
Geachte heer ###,
Hierbij bericht ik u dat de heer D. mij heeft verzocht zijn belangen in deze procedure verder te behartigen.
Ik zend u hierbij in zevenvoud de repliek op het namens de aangeklaagde arts ingediende verweerschrift.
Hoogachtend,
mw. H.
Repliek Regionaal Medisch tuchtcollege
Inzake : D. / K. / 2003 T 20
Aan het Regionaal Medisch Tuchtcollege
Geeft te kennen:
Klager is D., wonende te ###, voor deze zaak thans woonplaats kiezende te ### aan de ### op het kantoor van de advocaat mw. mr. H. die door hem als gemachtigde wordt gesteld;
Klager heeft kennis genomen van het door de advocaat en procureur mr. W. namens de arts K., wonende te M., ingediende verweerschrift op de jegens hem ingediende klacht;
Hieronder geeft klager zijn reactie op het verweerschrift.
Inleiding, feiten, achtergronden
1. Klager merkt allereerst op dat in het verweerschrift feiten worden genoemd die voor de beoordeling van de door hem ingediende klacht niet relevant zijn. Wanneer hij op de juistheid van deze feiten ingaat, zou de discussie over de werkelijke aspecten van de klacht op de achtergrond kunnen geraken. Klager zal in het hiernavolgende alleen ingaan op die feiten die relevant zijn. Voorzover klager niet ingaat op vermeende feiten die verweerder noemt, betekent dit derhalve niet dat klager het eens is met hetgeen verweerder daar stelt.
2. Onder punt 9 noemt verweerder het rapport van E., psychiater. Klager merkt op dat bij uitspraak van 4 december 2001 (gepubliceerd in TvG 2002/22 pagina 205) het Centraal Medisch Tuchtcollege een door hem ingediende klacht over de inhoud en conclusies van het rapport van E., gegrond heeft verklaard en aan E. de maatregel van waarschuwing heeft opgelegd. Aan de inhoud van dit rapport kan verweerder derhalve in het verweerschrift geen conclusies ontlenen.
Beoordeling van de klacht
3. Klager meent dat bij de beoordeling van de klacht getoetst moet worden aan art. 47 wet BIG. Meer in het bijzonder geldt dat het keuringsrapport moet voldoen aan de medisch-professionele standaard van de keurend arts en deze standaard omvat het zorgvuldig en deskundig handelen als een redelijk bekwaam keurend arts. De tuchtrechter heeft zich meermalen uitgelaten over de kwaliteitseisen bij keuringen, onder andere CMT 3 maart 1994, TVG 1994/53. Zie ook Handboek Gezondheidsrecht deel II van professor dr. L., pagina 180 en verder. Onder andere mogen keuringsprocedures geen risico's met zich mee brengen, de keurling mag door de keuring niet tot patiënt worden gemaakt. De keurend arts behoort geen uitspraken te doen waarvoor de medische gegevens onvoldoende basis bieden. Hij moet redelijkerwijs tot de genomen beslissing kunnen komen. De korte duur van de observatieperiode die in het algemeen bij keuringen beschikbaar is, maant tot voorzichtigheid bij het trekken van conclusies. Dit geldt onder andere oordelen over de psychische gesteldheid van de betrokkenen. De keurend arts dient voorts geen oordeel te geven buiten de medisch-professionele standaard (bij voorbeeld "onconventioneel type" of "maakt werkschuwe indruk") en zich van onzakelijke en vooringenomen kwalificaties te onthouden.
4. Voorts is voor de beoordeling van belang de criteria genoemd in het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, besluit van 8 juli 2000,
gewijzigd bij besluit van 21 mei 2001, Stb. 2001, 267. De inhoud van
dit besluit is een codificatie van voordien geldende uitgangspunten.
Onder artikel 4 van dit besluit staan de kwaliteitseisen voor
het verzekeringsgeneeskundig onderzoek gemeld.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek moet voldoen aan
de volgende vereisten:
- De gebruikte onderzoeksmethode, argumentatie, bevindingen en conclusies
van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek worden schriftelijk vastgelegd;
- En door een ander verzekeringsarts uitgevoerd
verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal tot dezelfde bevindingen en conclusies
kunnen leiden;
- De redeneringen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek
zijn vrij van innerlijke tegenspraak.
De vijf klachtonderdelen
Klachtonderdeel a
5. Klachtonderdeel 1 is dat verweerder ten onrechte de diagnose van reumatoloog S8. heeft genegeerd.
6. Hetgeen verweerder in een voetnoot onder punt 16 vermeld doet niet ter zake, verweerder lijkt hiermee een inkleuring aan de zaak te willen geven.
7. Verweerder stelt dat hij in zijn rapportage de diagnose van de reumatoloog niet heeft genegeerd. Verweerder stelt dat hij een vertaalslag heeft gemaakt van de door de behandelend arts verstrekte medische informatie naar de vereisten voor toekenning van een uitkering. Dit is echter een onjuiste samenvatting van het rapport van verweerder. In het rapport onder het kopje "voorgeschiedenis" stelt verweerder immers klip en klaar dat er reumatologisch geen substraat is gevonden, die de klachten van belanghebbende enigszins zou kunnen verklaren. Er zou spraken zijn van een psychische surmenage beeld. Ook in het gecorrigeerde rapport blijft verweerder erbij dat bij lichamelijke onderzoeken geen substraat is gevonden die de klachten van belanghebbende zou kunnen verklaren. Dit is apert onjuist. Uit de brieven van de reumatoloog d.d, 15 november 1993 en 18 decenber 1997, die als bijlagen bij het klaagschrift zijn overgelegd, blijkt dat er sprake is van een scoliose van de rug en bovendien een versterkte thoracale kyfose, dat wil zeggen dat klager scheef staat, respectievelijk wat voorover gebogen staat. Indien dit langdurig bestaat, leidt dit tot pijnklachten met spierpijnen en blokkeringen in de rug. Een blokkering is een op lokaal niveau gestoorde kringloop van: gewrichtstand - zenuwsignaal - spier aanspannen-gewrichtstandcorrectie, enzovoort. Dit leidt tot een functionele stoornis en voor alle duidelijkheid voegt de reumatoloog nog toe dat functioneel betekent: niet psychisch.
8. Al eerder heeft een verzekeringsarts, te weten L., een psychische interpretatie gegeven aan het rapport van de reumatoloog. Ook hierover heeft klager zich beklaagd bij het tuchtcollege. In de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg van 18 maart 2003 overweegt dit college onder 3.7 dat de interpretatie van de door de reumatoloog gebruikte term functioneel als psychisch, niet juist is. Hierbij wordt overgelegd een kopie van deze uitspraak.
Klachtonderdeel B
9. Dit onderdeel gaat er meer in het bijzonder over dat verweerder, nu hij kennelijk van mening is dat er lichamelijk geen afwijkingen zijn geconstateerd, het onvermogen van klager om volledig te kunnen werken, psychisch heeft geduid.
10. Hierboven onder punt 2 is al aangegeven dat in het rapport van E. onjuiste conclusies worden getrokken. Verweerder is ten onrechte afgegaan op de inhoud van het rapport van de psychiater E.. Er zijn andere rapporten, waaruit blijkt dat er psychiatrisch gezien met klager niets aan de hand is. Hierbij wordt onder andere een rapport van juli 1997 van dra. F3., psychologe, overgelegd. Wanneer verweerder tijdens het onderzoek van klager dit onderwerp wat uitgebreide besproken had, dan zouden de bevindingen op dit terrein zeker genuanceerder zijn weergegeven.
Klachtonderdeel C
11. Dit onderdeel gaat er over dat er geen belastbaarheidsprofiel aanwezig was en dat verweerder ten onrechte noemt dat het belastbaarheidsprofiel hetzelfde is gebleven. Verweerder spreekt in zijn rapport over een belastbaarheidsprofiel en een belastbaarheidspatroon, terwijl een dergelijk rapport op dat moment nooit was opgesteld.
12. Verweerder stelt dat het er niet aan af doet dat een echt belastbaarheidspatroon uit 1994 ontbrak. Verweerder heeft bedoeld een opmerking te maken over de belastbaarheid van klager, te weten 6 uur in eigen werk. De beperkingen ten tijde van het onderzoek zijn getoetst aan de belastbaarheid zoals die gold in 1994.
13. Klager heeft als bijlage bij het klaagschrift reeds overgelegd de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 november 2002. Uit de overwegingen van de Centrale Raad op pagina 5 van de uitspraak blijkt dat de Raad het niet correct acht dat zonder meer een vergelijking van de belastbaarheid in 1999 op basis van medische oordeelsvorming in 1994 plaats vindt. Met andere woorden er had een belastbaarheidsprofiel opgesteld moeten worden. In een belastbaarheidsprofiel wordt nu immers juist aangegeven welke lichamelijke beperkingen er ten aanzien van 27 verschillende aspecten zijn. Nu een dergelijke profiel niet is opgesteld, is verweerder uitsluitend afgegaan op een uren beperking en op de vermeend psychische component. Ten onrechte heeft verweerder niet een belastbaarheidsprofiel opgesteld waarin ook de lichamelijke beperkingen tot uitdrukking konden komen.
14. De conclusie en rapportage van verweerder heeft er toe geleid dat de arbeidsdeskundige geen verder onderzoek heeft gedaan. Wanneer verweerder de medische beperkingen conform het belastbaarheidsprofiel in kaart had gebracht, dan zou de arbeidsdeskundige een arbeidsdeskundige beoordeling kunnen maken. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt inmiddels ook dat de beslissing die tot stand is gekomen na het onderzoek door verweerder is vernietigd, nu de medische en arbeidsdeskundige grondslag onvoldoende was.
15. Inderdaad is het handelen of nalaten van een arbeidsdeskundige in deze procedure aan verweerder niet tegen te werpen. Echter het onderzoek en de conclusies van de arbeidsdeskundige zijn altijd gebaseerd op de bevindingen van de verzekeringsarts. Wanneer de verzekeringsarts geen belastbaarheidsprofiel opstelt, en uitsluitend een medische uren beperking aanneemt, dan kan de arbeidsdeskundige geen functies duiden. Het arbeidsdeskundig handelen is derhalve een gevolg van het handelen van verweerder.
Klachtonderdeel D
16. Verweerder stelt dat aan deze klacht tegemoet is gekomen door het woordje "veel" toe te voegen in de zin "belanghebbende is van mening dat het klachtenpatroon sinds de hoorzitting van september 1997 niet veel is veranderd".
17. Hiermee is verweerder echter in het geheel niet tegemoet gekomen aan de klacht van klager over het rapport. Er is sedert 1997 sprake van een behoorlijke wijziging in de gezondheidstoestand. Tot en met februari 1997 werkte klager halve dagen, hetgeen daarna niet meer mogelijk was.
Klachtonderdeel E
18. Dit punt heeft betrekking op het onjuist weergeven van het gesprek ten aanzien van kunnen werken van 6 uur per dag. Volgens verweerder heeft hij dit niet zo gezegd. Klager merkt op dat verweerder onder het hoofdstuk Beschouwing in zijn rapport wel tot de conclusie komt dat er sprake is van een medische uren beperking tot 6 uur per dag. Afgaande op het rapport mag er van worden uitgegaan dat verweerder deze conclusie aan klager heeft medegedeeld, in welke bewoordingen dan ook. Dit is echter niet gebeurd.
Conclusies
19. Klager blijft van mening dat het rapport van verweerder niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Klager erkent dat dit de eisen zijn die verweerder onder punt 34 van het verweerschrift noemt. Klager meent dat in het rapport niet op inzichtelijke en consistente wijze is uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen, voorts dat de in die uiteenzetting genoemde gronden onvoldoende steun vinden in de feiten en dat die gronden de daaruit getrokken conclusies niet kunnen rechtvaardigen.
REDENEN WAAROM de heer D. u vraagt om de klacht grond te verklaren en aan de arts K. een maatregel op te leggen.
Gemachtigde,
Bij bovenstaande repliek zaten de twee bijlagen, die in die brief genoemd worden.
Hieronder volgt de dupliek, die dokter K. naar het tuchtcollege stuurde.
###advocaten
REGIONAAL MEDISCH TUCHTCOLLEGE TE 'S-GRAVENHAGE
Kenmerk: 2003 T 20
DUPLIEK
inzake:
De heer K., destijds verzekeringsarts in opleiding, wonende te M.,
verweerder,
gemachtigde: mr. W., advocaat te U.
tegen:
D.,
wonende te ###,
klager,
gemachtigde : mr. H. te ###
Geacht College,
1. Verweerder handhaaft al zijn stellingen en wenst mede naar aanleiding van de repliek het volgende aan zijn verweer toe te voegen.
2. Verweerder blijft erbij dat het door hem in het verweerschrift geschetste feitencomplex relevant is voor de beoordeling door het Regionaal Medisch Tuchtcollege. De andersluidende (verder niet gemotiveerde) stelling van klager dat aan die feiten voorbij zou dienen te worden gegaan, ontgaat verweerder.
3. Evenmin buiten beschouwing te laten bij beoordeling door het Regionaal Medisch Tuchtcollege is te laten het rapport van E., psychiater te M. van 26 oktober 1994 waarvan verweerder als productie 6 bij het verweerschrift een kopie heeft overgelegd. Het enkele feit dat de maatregel van waarschuwing is opgelegd aan de psychiater, doet daaraan niet af. Verweerder wijst daartoe met nadruk ook op de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van de Gezondheidszorg in de zaak tussen (dezelfde) klager en een collega van verweerder waarin het Centraal Tuchtcollege in ro. 3.7 heeft overwogen dat, hoewel de conclusie van het psychiatrisch rapport van E. de tuchtrechtelijke toets niet heeft kunnen doorstaan, de in dat rapport neergelegde psychiatrische bevindingen overeind zijn gebleven. De juistheid is (terecht) door klager in de klacht tegen verweerder niet bestreden.
4. Het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten, besluit van 8 juli 2000, Stb. 2001, 267 dient bij beoordeling van de tegen verweerder ingediende klacht buiten beschouwing te blijven. Immers dateert de bestreden rapportage van 26 mei 1999, op welk moment het Schattingsbesluit waarnaar klager verwijst nog niet in werking was getreden. Het toentertijd geldende Schattingsbesluit stelde de thans in artikel 4 verwoorde kwaliteitseisen (nog) niet. Bij beoordeling van de tegen verweerder ingediende klacht is naar zijn oordeel aldus uit te gaan van de eisen die het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg bij herhaling aan uit te brengen rapportages heeft gesteld. Ook klager gaat daarvan in de repliek uit (repliek, 19).
5. Het bij repliek aangevoerde ten aanzien van de vijf klachtonderdelen kan naar het oordeel van verweerder evenmin leiden tot gegrondverklaring van de klacht vanwege het navolgende.
6. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege heeft een rapport als het onderhavige te voldoen aan een aantal criteria die kort gezegd er op neer komen dat moet blijken dat er voldoende en op juiste wijze onderzoek is gedaan, de rapportage objectief is en de bevindingen van de deskundige dat de conclusie van die deskundige kunnen leiden. Ten aanzien van de conclusie van het rapport heeft te gelden dat die moet kunnen volgen uit de gerapporteerde bevindingen. Dat betekent dat ten aanzien van dat aspect marginaal dient te worden getoetst, aldus het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg bij beslissing van 20 maart 2001 (productie 7).
7. Niet is aan de klacht ten grondslag gelegd dat verweerder te kort is geschoten in de anamnese en het onderzoek, zodat daarvan verder kan worden uitgegaan.
Ad a
8. Dit klachtonderdeel ziet er aan voorbij dat het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg bij beslissing van 18 maart 2003 in de klacht tegen een collega verzekeringsarts van verweerder heeft overwogen dat, voorzover de arts de term "functioneel" onjuist geïnterpreteerd heeft en aan die interpretatie heeft vastgehouden, dat naar het oordeel van het Centraal College, voor de uitkomst van het door de arts verrichte onderzoek en zijn rapportage echter van ondergeschikt belang is.
9. Bovendien blijft verweerder er bij dat dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mist, omdat met zoveel woorden verwezen wordt naar het correctieschrijven onder punt 1. Fotokopie van die brief van klager van 14 juni 1999 wordt hierbij overgelegd als productie 8. De inhoud daarvan maakt aldus deel uit van de bestreden Rapportage Algemeen van 26 mei 1999.
10. Hetgeen klager in punt 8 van de repliek aanvoert ontgaat verweerder, omdat de rechtsoverweging waarnaar klager verwijst zijn standpunt in die zin niet onderschrijft dat het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van oordeel was dat het Regionaal College de klacht terecht ongegrond had verklaard en het daartegen ingestelde beroep heeft verworpen.
Ad b
11. In dit klachtonderdeel voert klager aan dat verweerder onduidelijkheid heeft doen ontstaan tussen psychische en somatische klachten.
12. Het betoog onder punt 9 en 10 van de repliek ontgaat verweerder. Immers heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg bij beslissing van 18 maart 2003 overwogen dat de tegen een collega-verzekeringsarts van verweerder diende te worden afgewezen omdat, wat er ook zij van de conclusies van het rapport van E., de in dat rapport neergelegde psychiatrische bevindingen overeind zijn gebleven. Het klachtonderdeel ziet daaraan ten onrechte geheel voorbij.
13. Het onderdeel miskent bovendien dat psychiatrisch gezien met klager "niets aan hand zou zijn" door te wijzen op een brief van dra. F3. van juli 1997, psychologe. Deze brief is voor verweerder nieuw. Ondanks zorgvuldige anamnese was verweerder hiermee niet bekend. Daarbij tekent verweerder aan dat klager evenmin in het correctieschrijven naar zijn consult bij F3. heeft verwezen.
NB: Overigens lijkt F3. ten onrechte voorbij te gaan aan de door drs. K7., klinisch psycholoog, eerder gediagnosticeerde somatisatiestoornis door "op basis van een voorlopig onderzoek naar het psychische welzijn van D." te concluderen dat hij psychisch normaal is en niet lijdt aan enige psychopathologie.
15. Voorts wijst verweerder er op dat het klachtonderdeel er aan voorbij ziet dat verweerder onder het hoofdstuk "Psyche" heeft gesteld als volgt:
"Bij oriënterend onderzoek ten aanzien van bewust zijn, concentratie, stemming, oriëntatie, waarnemen en denken geen afwijkingen. Voorts ook geen andere aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek.".
Ad c
16. Verweerder was als verzekeringsarts in opleiding niet gehouden eerdere rapportages die hij heeft bestudeerd, op juistheid te onderzoeken. Hij diende slechts een oordeel te geven over de situatie van klager ten tijde van zijn eigen onderzoek. Daarin heeft hij afwijkende bevindingen vastgesteld, die hij toeschreef aan een rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek.
17. Het verwijt dat klager verweerder maakt geen belastbaarheidsprofiel te hebben opgesteld, ziet er aan voorbij dat het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg bij beslissing van 18 maart 2003 evenzeer te oordelen had omtrent een rapportage van G. BV waarin geen belastbaarheidsprofiel ten grondslag lag, doch dat tuchtrechtelijk (kennelijk) niet verwijtbaar achtte. Evenmin vindt dit klachtonderdeel steun in de beslissing van de Centrale Raad van Beroep van 2 december 2002, waaruit zulks evenmin is af te leiden.
18. Anders dan klager in punt 13 van de repliek betoogt, wijst de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep evenmin uit dat naar haar oordeel een belastbaarheidsprofiel opgesteld had moéten worden. Immers acht de Raad (enkel en alleen) niet aangewezen om een vergelijking van de belastbaarheid van klager te maken. Niet meer en niet minder dan dat.
19. Het klachtonderdeel ziet er bovendien aan voorbij dat wel degelijk met de belastbaarheid van klager rekening is gehouden. Nu niet duidelijk is geworden dat klager ten tijde van de gewraakte beoordelingen van verweerder onder behandeling van een arts vanwege zijn klachten stond, treft het verwijt dat verweerder zijn oordeel heeft gebaseerd op verouderde informatie geen doel.
20. Overigens mist het klachtonderdeel feitelijke grondslag, omdat verweerder niet op de vermeend psychische component is afgegaan door niet te stellen dat van psychische afwijkingen sprake was.
21. Ten overvloede wijst verweerder er op dat evenmin uit de persoonlijke vragenlijst medisch/arbeidsdeskundig welke vragenlijst is ingevuld naar aanleiding van het consult op 20 mei 1999, naar voren komt dat van psychologisch behandeling sprake was. Immers maakt klager in de persoonlijke vragenlijst uitsluitend melding van behandeling door een neuroloog, zoals blijkt uit pagina 2 ( productie 9).
22. Het klachtonderdeel ziet er naar de mening van verweerder ook overigens ten onrechte aan voorbij dat verweerder zich heeft gebaseerd op eigen waarnemingen, waaronder de anamnese en lichamelijk onderzoek, alsmede onderzoek naar de psyche, alsmede expertise rapportages waaruit een beperkte belastbaarheid van klager naar voren is gekomen.
Ad d
23. Hetgeen klager in de punten 16 en 17 van de repliek heeft aangevoerd ontgaat klager, omdat hij in punt 3 van zijn brief van 14 juni 1999 verzocht heeft als volgt:
"Het laatste deel van de eerste zin: "niet is veranderd", dient te worden gewijzigd in: "niet veel is veranderd".".
Aldus is aan het verzoek van klager geheel en al gehoor gegeven, zodat dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mist.
Ad e
24. Verweerder blijft er bij dat hij klager niet gezegd heeft dat hij zes uur per dag zou kunnen werken, hetgeen overigens evenmin uit de bestreden rapportage blijkt. Verweerder blijft er dan ook bij dat dit klachtonderdeel ongegrond dient te worden verklaard.
Epiloog
25. Resumerend blijft verweerder er bij dat de klacht op alle onderdelen dient te worden afgewezen, waarbij hij aantekent dat hij, als verzekeringsarts in opleiding, bij de totstandkoming van de bestreden rapportage is begeleid door meerdere verzekeringsartsen die aan de aldus tot stand gekomen rapportage hun goedkeuring hebben gegeven. Verweerder heeft daarop in redelijkheid bij het uitbrengen van de uiteindelijke rapportage mogen afgaan.
MET CONCLUSIE:
Als in het verweerschrift.
U., 18 augustus 2003
advocaat-gemachtigde
In bovenstaande brief wordt gesproken over de beslissing van de Centrale Raad van Beroep van 2 december 2002, maar die datum is eigenlijk 19 november 2002.
De bovenstaande brief was 9 bladzijden.
In bovenstaande dupliek word verwezen naar "productie 7", dat betreft
een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
nummer 1999.258, die van Internet was gehaald. Daarin had de advocaat
van de keuringsarts een uitroepteken gezet bij de volgende alinea:
"Ten aanzien van de conclusie van het deskundigenrapport heeft te
gelden dat die moet kunnen volgen uit de gerapporteerde bevindingen.
Dat betekent dat ten aanzien van dit aspect het Centraal Tuchtcollege
marginaal toetst."
Er wordt ook verwezen naar "productie 9", dat is een
vragenlijst waarbij een uitroepteken
was gezet bij het lijstje waar je moest invullen bij welke specialist(en)
je onder behandeling bent.
Ik belde dokter K. thuis op (hij is geen keuringsarts meer), maar hij
was niet aanwezig. Ik heb toen doorgegeven, dat ik mijn klacht intrek,
als dokter K. opschrijft dat hij zich distancieert van het rapport.
Vervolgens nam de advocaat van dokter K. contact op met mijn advocaat
om te vragen hoe het zit, waarop mijn advocaat doorgeeft dat als
dokter K. zegt dat hij zich distancieert van het rapport, dat ik
dan mijn klacht intrek. Daarop laat de advocaat van dokter K. weten
dat dokter K. dat niet doet.
In september schreef de advocaat van dokter K. een brief aan mijn
advocaat dat er onder voorwaarden toch wel over te praten viel.
Daarop schreef mijn advocaat een brief, of het goed was, dat zij
de verklaring zou opstellen. En toen daar geen reactie op kwam,
schreef mijn advocaat een brief, waarom nog niet was gereageerd,
en meteen daarop kwam het antwoord van de advocaat van dokter K.,
dat hij niet op het aanbod in gaat.
Vervolgens kwam de uitspraak:
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AANGETEKEND
De heer D.
Ons kenmerk: 2003 T 20
Onderwerp : D./K.
G., 20 januari 2004
Geachte heer D.,
Bijgaand zend ik U kopie van de beschikking van het College in bovenvermelde klacht van de zitting van 25 november 2003.
Onder de beslissing staat vermeld voor wie hoger beroep openstaat en - indien hoger beroep mogelijk is - op welke wijze het beroep kan worden ingesteld.
Hoogachtend,
Mr ###
secretaris
2003 T 20
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te G. heeft op dinsdag 25 november 2003 de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
D.,
wonende te ###,
klager,
tegen:
K., verzekeringsarts,
wonende te M.,
de persoon over wie geklaagd wordt,
hierna te noemen: de arts.
1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift is ontvangen op 4 februari 2003. Namens
de arts heeft Mr W., advocaat te U., een verweerschrift
ingediend. Namens klager heeft Mr H., advocaat te ###,
gerepliceerd, waarna Mr W. voornoemd heeft gedupliceerd.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid
om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
Het College heeft de klacht op dinsdag 25 november 2003
in raadkamer behandeld.
2. De klacht
De arts is verzekeringsarts en heeft op 26 mei 1999
een rapport geschreven. De arts heeft de diagnose van
de reumatoloog en de wijziging van de gezondheidstoestand
in februari 1997 genegeerd. De conclusie met betrekking
tot de afwijkende bevindingen kan niet gedragen worden
door de bevindingen van de arts. Het in het rapport genoemde
belastbaarheidsprofiel bestaat niet en het rapport geeft
een onjuiste weergave van het gesprek tijdens de keuring.
Klager verwijt de arts dat de inhoud van het rapport
tegenstrijdig en onzorgvuldig is. In het rapport is niet
op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet
op welke gronden de conclusies van het rapport steunen.
De in die uiteenzetting genoemde gronden vinden onvoldoende steun
in de feiten en die gronden kunnen de daaruit
getrokken conclusies niet rechtvaardigen.
3. Het standpunt van de arts
Klager werd op 20 mei 1999 gezien op het spreekuur van de arts,
destijds verzekeringsarts-in-opleiding bij het G., wegens
een keuring in verband de herziening van een aan klager
toegekende WAO-uitkering. De arts heeft het dossier van klager
bestudeerd en tijdens de keuring anamnese afgenomen en
lichamelijk onderzoek verricht. Het rapport voldoet aan
de eisen die aan een rapport als het onderhavige uit het oogpunt
van vakkundigheid en deskundigheid redelijkerwijs mogen
en moeten worden gesteld. Dit geldt te meer, aangezien
de opmerkingen en verzoeken van klager naar aanleiding
van de eerste versie van het rapport - voor zover relevant -
in de laatste versie zijn verwerkt. De arts heeft gehandeld
met inachtneming van de eisen, de zorg en de deskundigheid,
die van hem als verzekeringsarts-in-opleiding mag worden verwacht.
Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.
4. De beoordeling
Bij de beoordeling van de klacht neemt het College het
als algemeen geldende uitgangspunt dat een rapport,
dat een arts maakt van een door hem uitgevoerd onderzoek,
aan de volgende eisen moet voldoen, wil van een uit het oogpunt
van vakkundigheid en zorgvuldigheid aanvaardbaar rapport
kunnen worden gesproken:
a. in het rapport moet op inzichtelijke en constistente wijze
worden uiteengezet op welke gronden de conclusie van het
rapport steunt;
b. de in de uiteenzetting genoemde gronden moeten op hun beurt
aantoonbaar voldoende steun vinden in feiten, omstandigheden
en bevindingen, vermeld in het rapport;
c. bedoelde gronden moeten de daaruit getrokken conclusie kunnen
rechtvaardigen.
Naar het oordeel van het College voldoet de rapportage van de arts
aan de hiervoor vermelde eisen. In de stukken heeft het College
geen aanknopingspunten kunnen vinden, die de conclusie rechtvaardigen
dat de arts een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
De klacht wordt derhalve zonder nader onderzoek afgewezen
als kennelijk ongegrond.
RECHTDOENDE: wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer op dinsdag 25 november 2003 door: Mr T8., voorzitter. Mr K14., lid-jurist. Dr W9., Dr B19., Prof. Dr P15., leden-artsen, bijgestaan door Mr V10., secretaris.
voorzitter ###
secretaris ###
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending
van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager, voorzover de klacht is afgewezen,
of voorzover hij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het
Staatstoezicht op de Volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van
de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.
Ik had al eerder een keuringsarts bij het Regionaal Tuchtcollege
aangeklaagd. De beslissing van het Tuchtcolle daarover was
een jaar eerder op
9 april 2002.
Het blijkt dat een aantal mensen uit het college dezelfde
zijn als bij die andere beslissing. Het zijn:
• De voorzitter, mevrouw T8.
• Een arts, dr. W9.
• Nog een arts, dr. B19.
Tegen bovenstaande uitspraak ging ik in hoger beroep.
Aangetekend
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
2 februari 2004
Ons kenmerk D. / K.
Betreft Hoger beroep
Uw kenmerk 2003- T 20
Geachte leden van het Centraal Tuchtcollege,
Namens de heer D., wonende ###, ### wend ik mij tot u.
Cliënt heeft kennis genomen van de beschikking van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ### d.d. 25 november 2003, verzonden op 20 januari 2004. Hierbij zend ik u een afschrift van deze beschikking.
Cliënt wenst in hoger beroep te komen van de beschikking. Cliënt meent dat zijn belangen bij de beschikking niet naar behoren zijn gehonoreerd en dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat rapportage van de arts voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De gronden waarop deze mening berust worden u zo spoedig mogelijk toegezonden op uw verzoek.
Het is om die reden dat de heer D. zich went tot het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg met het verzoek om zijn klacht tegen de arts K. alsnog gegrond te verklaren en passende maatregel op te leggen.
Hoogachtend,
mw. H.
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
De heer D.
Ons kenmerk : 2003 T 20
Onderwerp : D./K.
G., 5 februari 2004
Geachte heer D.,
Bij deze bevestig ik U de goede ontvangst van het beroepschrift in bovenvermelde zaak. Het dossier heb ik inmiddels doorgezonden naar de secretaris van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Deze zal U omtrent de verdere gang van zaken op de hoogte houden.
Hoogachtend,
Mr ###
secretaris
Vervolgens ging ik dus in hoger beroep